1. Begrippen en interpretatie kaders.

In Middeleeuws Europa leefden de mensen doorgaans lokaal, het Christendom doortrok leven en handelen, de huidige landen en grenzen bestonden niet, Europa was veel minder ontwikkeld dan bv de Islamitische cultuur. In DE ME ontstonden: Talen, begin van Nationalistisch denken en vorming van staten, urbanisatie, politieke structuren gebaseerd op medezeggenschap, economische ontwikkelingen en commerciële netwerken, verbreiding van het Christendom, wetenschappelijke ontwikkelingen, dit werden de grondslagen voor het latere Europa en voor de rest van de wereld.
De humanisten spraken over Medium Aevum en benadrukten het belang van de klassieken. Het Latijn werd de taal van de wetenschap en het werd onderwezen op de scholen. In de 17e eeuw komt er in de katholieke landen belangstelling voor de ME, de protestanten benadrukken het belang van alles na de reformatie. Pas in de 19e eeuw ontstaat er belangstelling voor de ME gotiek, nadat de Romaanse kerken en kloosters bij de Franse Revolutie waren afgebroken.
De kunstmatige scheiding ME/Ren, is versterkt door het boek van Burckhardt: Die Kultur der Renaissance in Italien. Het versterkte het idee van een kunstmatige scheiding.

Perioden en maatschappijtypen
Periodisering heeft zin als er sprake is van een verandering die in vele lagen en op meerdere gebieden van een cultuur ingrijpt, bv de industrialisatie, of de overgang van het Romeinse Keizerrijk naar de vroege ME. (ME is overigens een begrip met een West-Europese grondslag). Vraag: beteken de veranderingen vanaf de tiende eeuw een wezenlijke verandering waardoor een nieuw maatschappijtype ontstond en zijn de veranderingen vanaf de vijftiende eeuw daarvan een voortzetting is of dat opnieuw een verandering?
De ontwikkelingen in de ME vonden goeddeels plaats vanuit het zuiden en het westen:
1. Het verval van het RR, en daarmee van de gecentraliseerde staatsvorm met de erbij behorende productie, distributie en besturing.
2. Migratie van statenloze samenlevingen
3. Vergroting van de landbouwproductie in het kader van locale heerschappijen waardoor urbanisatie mogelijk werd.
4. Diepgaande commercialisering waardoor de vorming van dynastieke staten werd ondersteund.
5. De ontwikkeling van een nieuwe spiritualiteit onder de massa van gelovigen.
6. Verschriftelijking van de communicatie.
De grote ontwikkeling, bv urbanisatiegraad, het verdwijnen van de slavernij, de exportering van de Europese samenlevingsmodel naar de rest van de wereld ed, zetten niet in in de vijftiende zestiende eeuw. Voor deze ontwikkelingen lijken de vierde eeuw en de tiende tot de twaalfde eeuw veel belangrijker.

Regionale diversiteit
Deze was groot en het besef van kerk en staat als overkoepelende instanties was niet zo in het collectief bewustzijn ingeslepen als nu.

Welk Europa?
Voor de schrijvende elite liggen de grenzen bij de Christenheid, het centrum van de handel ligt in Zuid Europa tussen Chr en Moslimwereld. Vanaf de dertiende eeuw, trekken de Europeanen naar India en China. De vikingen hadden een cultuur waardoor het mogelijk was grote ontdekkingsreizen te ondernemen, handelsbetrekkingen aan te gaan tot in Byzantium en Azië en volksplantingen te doen. Hun expansie heeft geen grote en langdurige invloed gehad itt tot die van Zuid-Europa, wier expansie tot ver in de zestiende eeuw voortduurde, zij stonden in contact met de Byzantijnse en Arabische culturen die op hun beurt weer in verbinding stonden met het verre oosten.

Van schaarste naar hegemonie
In 1400 was de Chinese en de Arabische cultuur veel hoger ontwikkeld dan de Europese. Er bestond een enorm Mongools rijk met een despotische bestuursstructuur. Toch wordt Europa koploper. De verklaring is de expansie overzee en de technische ontwikkeling oa het vuurwapen. De voorsprong wordt opgebouwd tussen 1000 en 1800. Een groot rijk kon enorme interne projecten aanpakken maar het centrale gezag verbood bv de ontdekkingsreizen, zoals in China. Juist het gedeelde Europa leverde veel initiatieven op ter innovatie. De handel in de steden nam initiatieven. Zo ontstond het kapitalisme: de handel in een onafhankelijke positie tav kerk en staat, dit werd de motor tot een dynamische markt die uit was op winst.


2 De Romeinse erfenis

De heersers na de Romeinse keizers hebben zich allen getooid en gedragen alsof zij een Romeinse keizer waren. In de ME bestond veel belangstelling voor de Romeinse cultuur.

Desintegratie van het imperium
De bestuursstructuur
De Romeinen konden zich handhaven door de hoogontwikkelde bestuursstructuur, een goed infrastructuur en een goede economische organisatie. Er was een doordacht verdedigingssysteem en men kon legers van 300.000 man op de been brengen, dat lukt Europa pas in de 17e eeuw. Het rijk was planmatig ingedeeld, dit gold ook voor de steden. Daarnaast waren abstracte begrippen over administratie en besturen bekend. De eenheidsvisie, de heldere bestuursstructuur, de regelmaat en de rationaliteit zijn doorslaggevend geweest. Het rijk is opgebouwd vanuit Rome, veroverd land viel aan de republiek, niet aan de veldheer of aan een familie. De structuur van het Romeinse Rijk heeft veel nawerking gekend oa op het gebied van recht en bestuur. De belangrijkste erfgenaam is de katholieke kerk. Zij namen de vier bestuurslagen over en vele namen oa diocees, civita en bisschop (epi-scopus=opzichter). De eerste bisschoppen en kerkvaders kwamen voort uit de Romeinse aristocratie bv Ambrosius en Martinus van Tours. Ook hier dus een hiërarchie die ontstond vanuit de steden (en de aristocratie waardoor het denken over bestuur, de taal, de wetenschappelijke kennis werd meegenomen). De katholieke kerk moest de staat als een onafhankelijke werkelijkheid aanvaarden, de christelijke keizer was, conform de antieke traditie, hoofd van staat en kerk. Toen in het westen de keizer wegviel vulde de paus het vacuüm op. Voor de abstracte bestuursbegrippen maakte de kerk gebruik van de Romeinse tradities en kennis, bv via De Officiis. De kerk bediende zich waar ook ter wereld van het Latijn, tot in de 12e eeuw was zij de enige die van de geschreven taal gebruik maakte, waardoor haar invloed ook bij wereldlijke heersers zeer groot was. Dit geld ook voor het geschreven recht, dat bepaald is door het Romeinse recht, ook het canonieke recht vindt hierin haar wortels. De kerk is dus de schatbewaarder van de antieke cultuur. Zij behield haar gezag, door het bezit van de geschreven taal, de bestuursstructuur, de ambtelijke deskundigheid en de stabiele organisatie, en dit alles in dienst van de uitvoering van Gods wil. De in Europa optredende “barbaren” hadden een geritualiseerd bestuur en rechtspraak, gesproken woord en personaliteit van macht. Ook de barbaarse heersers maakten ruimschoots gebruik van de eenheidsvisie van de kerk.
De overheidseconomie
Het leger, de verdediging, de infrastructuur, de voedselvoorzienig tegen betaalbare prijs maakte dat de staat belastingen moest innen, deze werden steeds hoger en de opbrengsten die mensen kregen voor hun werk, bv vervoer tbv het leger werden lager. De economische problemen ging men te lijf met dwangmaatregelen, boeren en slaven moesten op hun grondgebied blijven, meisjes mochten niet voor hun veertiende het klooster in, weduwen moesten hertrouwen, maar de imperial overstretch deed zijn werk en het enorme rijk stortte van binnenuit in.
Ruralisering
De bevolking liep in aantal terug, door de uitdunning van steden en garnizoenen nam de handel af, het geld was nauwelijks nog iets waard en werd regionaal gebruikt. Er zijn vele meldingen van verlaten akkers. De elite trok zich terug op hun landgoed/boerderij, de zgn latifundia.

Het Oost Romeinse Rijk
Keizer Constantijn (306-337) bouwde Byzantium uit tot hoofdstad vanwege de ligging, de Italiaanse senatorenstand en het economische gewicht. Tussen 400 en 600 verviel Rome (van 800.000 naar 30.000 inwoners) en bloeide Byzantium (500.000 inwoners)
Justinianus
Deze heeft vier doelen, de verovering van verloren gegaan gebied, eenheid van godsdienst, economie ten b.v. het militaire apparaat en codificatie van het recht.
Implosie en consolidatie
Verkleining van de steden. Vergrieksing. Leger met meer beroepskrachten.
Hernieuwde expansie
Tiende eeuw: Constantijn de 7e en Basileus de 2e (kleinzoon). Schimmige inmenging van de legertop. Drie generaals zorgen voor gebiedsuitbreiding maar ook voor een burgeroorlog. Basileus neemt uiteindelijk zelf de touwtjes in handen. Hervormt het leger en de belastingheffing en regeert van de Straat van Messina tot aan de oostkust van de Zwarte Zee.


3 De volksverhuizingen

Barbaren
Griekse term voor wie geen Grieks spreekt. Het beeld van de “invallen” is geromantiseerd. Velen waren er al door de gebiedsuitbreiding. Intensief grensverkeer. Voornaamste onderscheid met de Romeinen: hun organisatievermogen.
Barbaren uit het Noorden
3 taalfamilies: Kelten, Slaven en Germanen, dat is niet hetzelfde als drie culturen. Gemeenschappelijk was de sedentair-agrarische levenswijze itt de nomaden. De noordelijke waren landbouwers met een voorkeur voor veeteelt. Zij waren goede metaalsmeden.
Barbaren van het oosten en het zuiden
Steppen- en woestijnnomaden. Ruilverkeer met de sedentaire landbouwers, soms gewelddadig. Zij waren superieure ruiters en boogschutters. Alleen het bekken ten westen van de Karpaten biedt voldoende ruimte voor deze nomadenvolken. (het huidige Hongarije). Daar bivakkeerden ze dan ook en ze hielden aan de grenzen van het RR een soort plundereconomie in stand. Van de woestijn nomaden=bedoeïenen hebben de Arabieren de grootste invloed op de ME geschiedenis gehad. Zij kwamen door hun leefwijze in de Romeinse en Perzische invloedssfeer. Oasen werden een soort centra van handel.
Volkeren van de volksverhuizingen
Uitleg over de begrippen stam en volk. De “barbaren” voldoen meer aan de def. van een ethnische eenheid, met identiteit en een dominante groep/traditiedragende kern bv de Visigoten.

Verhuizingen
Achtergronden: push- en pull factoren
Aan de grenzen werden de “barbaren” getolereerd en gebruikt. Het RR trok aan hen, de barbaren hadden politieke en economische redenen om in de grensgebieden te komen. Groepen, de zgn foedora mochten een grensgebied bewaken, bv de Salische Franken, met een grote mate van autonomie. Foedus betekende uiteindelijk huurlingencontract. De barbaarse hoofdmannen namen regelmatig de leiding bv Stilicho en Odovakar (resp 400 en 500). Met het enen barbarenleger moest het andere verslagen worden, ten koste van de belangen van Rome.
Chronologie
Onafhankelijk van deze bewegingen was de beweging van de Hunnen in West –Azië. Zij dreven de Goten olv Alarik voor zich uit. Deze veroverde Rome in 410. Vandalen en Visigoten trokken tot in Noord-Afrika. Confrontatie tussen Hunnen en Bourgondiërs leidde tot het Nibelungenlied. Na 476 gebruiken de Oost-Romeinse keizers de barbaren om hun heerschappij in het westen te vestigen. Zo werd Theodorik gebruikt om Odovakar te verdrijven. Th vestigde natuurlijk zijn eigen rijk, hij geraakte in oorlog met de Longobarden. De laatsten behielden het noorden (Lombardije)
Het karakter van de barbaarse vestiging
Het betreft niet zeer grote groepen: levend van belastingopbrengsten of overgaand tot kolonisatie.
Elementen van politieke organisatie: chiefdoms, gefolgschaften, koningschap
Chiefdom heeft een hogere organisatiegraad dan een stam. Er moet buit te verdelen zijn, er is een hiërarchie, er zijn (gewapende) volgelingen. Rom: comitatus. De barbaarse overheersers vormen in het westen vooral koninkrijken, dit wordt de dominante staatsvorm in Middeleeuws Europa. Sterke identificatie van de barbaarse machthebbers met de Rom keizer bv Theodorik. De Romeinen deden er van hun kant alles aan deze machthebbers te vriend te houden met fraaie titels en chique afstammingsverhalen. Barbaarse koninkrijken passeerden via de erfopvolging of electoraal. Vaak een mengeling. De Merovingers zagen het rijk als hun bezit. De Visigoten kenden het onderscheid tussen privé en publiek bezit.

De Barbaarse koninkrijken
Het grootste rijk was van de Visigoten. Dit werd in 711 veroverd door de Arabieren. Het gebied van de Vandalen in Noord Afrika werd door de Romeinse keizers betwist ivm de graanproductie. Theodorik vestigde een Ostrogotisch/ Romeins rijk. Na zijn dood voerde Justinianus de verwoestende Gotische oorlogen om het gebied terug te winnen. De Longobarden in het noorden integreerden met de Ital. bev. Zij kenden recht conform het Rom recht en zetten een stedelijke samenleving op poten. Clovis (Frank) versloeg in Aquitanie de Visigoten. Hij vestigde een groot rijk. In Engeland, de Angelsaksen, 7 eenheden waarvan Mercia de belangrijkste was. Koning Offa (757-796). Beowulf. Wales, Cornwall en Schotland bleven apart.
Segregatie of Integratie
De segregatie van de barbaarse volken blijkt in de praktijk erg mee te vallen. Gemengde huwelijken waren meestal toegestaan, gewoonterecht en Rom Recht werden door de koning toegepast en van Arianisme werd meestal niet zo een punt gemaakt. De heroveringoorlogen van Justinianus wakkerden de politisering aan maar voor de gewone burger telde het Italiaan zijn niet Goot of Romein. De taal werd soms opgegeven, soms bewaard, deze taalgrenzen kennen we nu nog.

Proto natievorming
BV in Visigotisch Spanje: rex, gens et patria Gothorum. De namen Anglia en Francia verwijzen naar alle inwoners. De Romaanse taal blijft in Roemenie, geïsoleerd in het Karpaten bekken, bestaan tgv snel wisselende heersers.

De Arabische Veroveringen
Binnen een eeuw na de geboorte van Mohammed strekte het Islamitische Arabierenrijk zich uit van Spanje toto de Indus delta. Omdat de kaliefen zich in Damascus vestigden kent de Arabische cultuur veel Syrische en Perzische invloeden. De Arabische elite vestigde zich gesegregeerd in kleine stadjes en steden. Arabisch werd de taal mede omdat de Koran alleen in het Arabisch mocht verschijnen. De bestuurssysteem werd overgenomen van de Perzen en de Byzantijnen. Het belastingstelsel van de Arabieren leidde tot veel onvrede. In 749 nemen de Abassieden de macht over en vestigen die in Bagdad. Regionaal separatisme broeide overla. Er ontstonden kleine legereenheden van slaven ( Berbers, Turken) olv een hoofdman die bij de elite ging horen. Te vergelijken met de professionalisering van het krijgsbedrijf in Europa. Het Iqta systeem is vergelijkbaar met het feodo-vazalsysteem in Europa. De macht van de kaliefen nam af ten bate van de amir-al umara van de Buyiden. Zij hingen de shiitische richting aan. In de 10e eeuw ontstonden vele kleine Islamitische rijkjes. Invallen van Turken en Byzantijnen in het Noorden. De derde kalief - de Fatimieden- vestigde zich in Cairo en veroverde Palestina en Syrië. Zij waren tolerant tav religie. Cairo werd het centrum van de Islam wereld.



4 Christendom en Islam
De vestiging van twee wereldreligies

De Christelijke kerk in de overgang van Oudheid naar Middeleeuwen
Het Christendom onderscheidde zich door zijn universaliteit, (algemeen=Gr=katholiek) en zijn ethiek: naastenliefde. Concurrentie met het eveneens universele Jodendom was het bemachtigen van de Tanach (d.i hetzelfde als de in het Gr vertaalde Septuagint 3e E BC) voor AD 300. De 4 evangeliën, handelingen etc, het NT was het verbond tussen God en de Christenen. De Joden werden gediscrimineerd, maar nog weinig vervolgd. Augustinus stelde hen tot voorbeeld: zo moet het niet, Constantijn bleef levenslang Catechumen en associeerde zich met Sol Invictus. Het Chr. dom werd in de 4e E steeds intoleranter. Voor het verdere verloop waren belangrijk: de rol van de keizer en de Paus in de nieuwe kerk, haar rijkdom en haar bestuursvorm. (Geënt op de civitates).
De verhoudingen tussen keizer en paus
Drie opvattingen met een theocratische uitgangspunt: alle legitiem gezag is van God afkomstig.
-Caesaropapistisch: de hoogste wereldlijke leider is het hoofd van de kerk.
-Hiërocratisch: de paus heeft universeel gezag
-Twee gescheiden invloedssferen, het dualisme.
Eind 5e Eeuw komt er duidelijke kritiek op de Caesaropapistische opvatting vanuit de pausen. Zij stellen de zwaardenleer op met een uiteindelijk prevaleren van de geestelijke macht over de wereld. Toen in de 8e E de keizer in Constantinopel zijn macht over Rome verloor betekende dit het einde van zijn macht over de Paus. Drie kwesties accentueerden dit: De Byzantijnse aantasting van kerkelijke gebied in Zuid-Italië en Sicilië, het iconoclasme van de keizers en het onvermogen om bescherming te bieden tegen de Longobarden. De pausen zochten bescherming bij de Frankische Merovingers en deze erkenden de Pauselijke gebieden rond Ravenna en Rome. Dit heeft bijgedragen tot het schisma tussen West en Oost, maar uiteindelijk lagen hieraan de dogma’s ten grondslag.
Materliële rijkdom: accumulatie en redistributie
De kerk was rijk, zij besteedde een deel van het geld aan armenzorg waardoor zij moreel gezag en status kreeg. De kerk leefde van schenkingen van de adel, die bouwde kerken en bezette de bisschopsstoelen: “Adelskirche”. De boeren moesten tienden afstaan.

Kerkelijke organisatie
De geestelijkheid en haar taken
Al vroeg had de kerk een hiërarchisch geordende geestelijkheid: clerus. Zij dienden de 7 sacramenten toe: uiting van de verlening van Gods genade aan de mens. Betekenis van eucharistie, doop en biecht. Kanunniken vormden samen een kapittel.
De kerkelijke hierarchie: episcopaat en diocees
De grenzen v.e. diocees of parochie vielen in de late oudheid samen met die van een Romeinse civitas. De bisschoppen hadden 5 taken: waken over de geloofsopvatting, toezicht op de kerkelijke regels, uitvoeren van wijdingen, rechtspreken en vermogensbeheer.
Metropolitanen en aartsbisschoppen, patriarchen en paus
Aartsbisschoppen waren belangrijke bissch. Die bv uit bekeren werden gestuurd, aartsvaders waren de bissch. van de bel. steden in het RR. De patriarchen van Rome noemden zich de opvolgers v. Petrus, zij verkregen het primaat boven de patriarch van Constantinopel. De St. P was de grafkerk van Petrus, de residentie vd Paus was het Lateraan.
Kerkvergaderingen
De keizers belegden vergaderingen v. bisschoppen: synodes, voor het hele rijk: oecumenische concilies, dit voor belangrijke beslissingen bv. De geloofsbelijdenis: oa de kerk is Eén, heilig en apostolisch. Het eerste concilie in het Lateraan was in 649, bijeengeroepen door de Paus. In de 8e en de 9e eeuw werden de concilies ook benut ivm hervormingen van kloosters (de regel van Benedictus) en om het gedrag van de seculiere geestelijkheid aan te pakken.

Geloofsleer, orthodoxie en heterodoxie
Bel. Bijbelexegeten: Ambrosius, Aug. Hier. en later Gregorius de Grote. De bijbel is historisch, moreel en allegorisch te interpreteren. Hiëronymus maakte de Vulgaat, een Latijnse vertaling ad. hand van Gr. en Hebr. bronnen. De Paus geeft uiteindelijk wet aan de regels die door concilies worden gemaakt. Aug: Confessiones en De Civitate Dei. Ketters (heretici, Gr. Heresia=keuze) waren Chr. Met afwijkende opvattingen. Monofysieten: Chr heeft één natuur, de Goddelijke. Arianen erkenden de drie-eenheid niet Chalcedon 451: Goddelijke drie-eenheid, waar Chr twee naturen heeft: Goddelijk en menselijk. Voor de Donatisten en Pelagianen was spirituele zuiverheid van belang, voor Aug: de sacramenten, de kerk moest voor iedereen zijn, niet allen voor de spirituele elite. Sommige afw. opvattingen kregen steun van heersers. Het Iconoclasme van de Byzantijnse keizers. Soms verbond de heterodoxie zich met een regionaal separatisme (bv de Kopten in Egypte) .
Heiligheid en heiligen
Kerkenbouw op/met relieken van heiligen. Verering van een representatie (ikoon) In de loop van de ME groeide de betekenis van een heilige als bemiddelaar tussen God en de gelovigen. In een heiligenleven (vitae) moest een wonder voorkomen, een conversio en verder een deugdzaam leven.

Monnikendom en kloosterleven
Monachos=alleen levend. Het Chr. Dom dreef aanvankelijk op de monniken. Het monnikendom sloot aan bij de antieke Stoa. Daarnaast de Chr. waarden bv het martelaarschap, het verzaken vd wereld deed hen het doopsacrament handhaven. Hun geloofsopv. werden toonaangevend, er vond een de-secularisering van de westerse cultuur plaats. Monniken gingen behoren tot de geestelijke stand. In Gallie werden in de 7e eeuw 200 kloosters gesticht met 4 monastieke tradities: Martinus van Tours, de oosters-asc.trad, de peregrinatio/Ierse traditie, de Benedictijnen (Ben v Norcia 485-560). Gregorius de Grote (600) en een aantal kerkhervormers propageerden de regel v. Benedictus. Echte orden ontstonden pas in de 11e eeuw.

Verbreiding van het geloof
Missie en bekering
De zendingsdrang start in de Evangeliën: het uitzenden vd apostelen. In Ierland via St Patrick ontwikkelden de kloosters zich toto het centrum van het kerkelijk leven. Veel “barbaren” en hun koningen bekeerden zich om politieke redenen tot het Chr. Dom bv Clovis. Alle krijgers/volgelingen werden geacht het voorbeeld te volgen. Vaak bleven de oude Goden vereerd zoals Redwald, koning van East-Anglia die begraven werd bij Sutton Hoo. In het Frankische rijk was de kerstening gewelddadig omdat het om gebiedsuitbreiding ging. Bv Willibrord probeerde in coalitie met de Frankische machthebbers de Friezen te bedwingen. Bonifatius stortte zich op de Saksen, hij stichtte Fulda en werd door de Friezen vermoord. Karel de Grote bekeerde de Saksenhoofdman Widukind en trad meteen op als diens peetvader. Alcuin adviseerde: geen geweld bij de bekering. Strategie bij de bekering: autochtone missionarissen zenden. De bekering van Scandinavië verliep via het elan van de Ottonen. In Denemarken viel de kerstening van Koning Knut samen met militaire successen. De Wenden ( Slavisch talige volken ten oosten van de Elbe) werden gekerstend via militaire middelen, kruistocht, kolonisatie en kloosterstichting. In het centrum van dit gebied lagen de territoriale vorstendommen Bohemen en Polen, de laatste werd gekerstend via de eerste. De Zuid –Slaven via de Oost-Franken en/of de Byzantijnen bekeerd. De laatsten hadden een voorsprong omdat ze de bijbel in het Slavisch vertaalden . Uiteindelijk viel Bulgarije onder de patriarch van Constantinopel en Moravie en Pannonie onder Rome. De Magyaren werden uiteindelijke gekerstend o.a. via de heiligverklaring van de vorst (Stefan). De Balten, Esten en Finnen volgden pas diep in de 14e eeuw. Door een pauselijke bul werden deze “heidenen” net zo zwaar vervolgd als de Moslims.
Kerstening en syncretisering
Kerstening duurde veel langer dan door de Chr. Geschiedschrijvers werd gezegd. Sociaal: eerst de elite en dan het volk. Mentaal: oppervlakkig. De volkstaal werkte pos. BV Heiland, 8e eeuw Hoogduits. Men vernietigde heilige plaatsen, bouwde heiligdommen om tot kerk. Zo werd het Pantheon de Santa Maria Rotunda. Syncretisering is het versmelten van meerdere religies en het zo ook beschrijven. Alle dag en maandaanduidingen zijn pre-chr, maar de kalender is geheel verchristelijkt. 2e aspect: getolereerde identificatie van voor-chr. heiligen bv St Anna in Bretagne en de gietvorm voor de Wodanshamer en de crucifix. Pas na de hervormingen van de 11e eeuw werden de priesters van magical naar sacramental.

De Islam
De verspreiding ging razendsnel. Deelt met het Chr dom drie bel dogmas: Een God, te kennen via openbaring, een hiernamaals waarvoor een goed leven nuttig is. Jodendom en Islam: het hele leven is geimpregneerd met het geloof. Geen onderscheid tussen wereldlijk en geestelijk gezag. De Isl. tolereerde de volkeren van het boek: Joden en Chr., andersom niet. In Barcelona een centrum boor Koranstudie. Bronnen: de Koran, de tradities=Sunna (Soennieten). Geen hierarchische clerus, in plaats daarvan erkende “scholen” en Islamitische godsdienstwetenschap. Sterk uitgewerkte ethische aspecten. Verlichte Islamitische geleerden pleiten voor een splitsing in dogmas en regels voor het maatschappelijk leven. Snel na de dood van Mohammed ontstond onenigheid: Ali “Shi’at Ali” partij zou de enig ware zijn: Shiiten. Hun Imans moesten rechtstreeks afstammen van Ali. Meerdere afsplitsingen os de Ismaili, ontstaan bij de bedoeinen in Syrie.


5. Samenleving en economie in de vroege Middeleeuwen

De Vroeg middeleeuwse samenleving.
I Transformatie en aristocratie.
De bevolking leed onder de terreur van de Gefolgschaften. Oorlog was daarvan de enige bestaansgrond. Onder Karel de Grote begon er ook een rijksbelang te tellen, de buit werd ook toebedeeld aan de bisschoppen/kerk en de adel. De Gefolgschaft werd meer een vazalsysteem, dwz grotere afstand tot de vorst/heerser. Het rijk steunde op twee pijlers vh RR: uitgiften van land en de vergeving van hoge ambten, kerkelijk en wereldlijk. Ook bij de Ostrog, de Visig. en de Angelsaksen werd land uitgegeven. Maar de transreg. aristocratische netwerken bleven nog lang bestaan. Het begrip adel bestond in de vroege ME niet, men sprak van liberti, potentes etc. wel moest het worden waargemaakt dmv geboorte en moreel gedrag.

II Degradatie: de vrije weerbare mannen.
Bij smartengeld was de vrije man de maat voor het bedrag. Zij verrichten ook legerdienst en waren betrokken bij de rechtspraak. In de rijken der barbaren gold uiteindelijk de “bannus”: de koning kon alle vrije dwingen om dienst te nemen. Dienst in het leger werd tijdens Karel de Grote beperkt tot degenen die veel land hadden. De wapenrusting en paard werd steeds belangrijker, men had dus geld nodig. Dit betekende een degradatie v.d. minder draagkrachtige vrijen. Deze ontw. Zie je ook in de 3 standen ontw. De rechtspraak wordt ook beperkt tot een kleinere groep. Onstuitbare ontwrichting: militaire en politieke macht richting aristocratie. Meer en meer onvrijen door het systeem van de horigen en de verbetering van de positie van de slaven.

III. Promotie: De slaven.
Barbaarse volken hadden door de vele oorlogen veel (S) slaven. Het was het grootste exportartikel van de Chr. naar de Islamitische wereld. De Chr. Kerk hield zelf slaven maar beschouwde hen als medemensen/christenen. Het was een moreel goede daad om slaven vrij te laten. Sociaal cultureel: vele slaven waren min of meer autochtoon en economisch: door de geringe bevolkingsdichtheid kregen veel slaven een stukje grond om te bebouwen voor de heer, dit maakte het lot voor de slaven beter, zij gingen behoren tot de horigen.

IV. Horigheid, grondheerlijkheid en hofstelsel.
De heer had zeggenschap over de horige en hij kreeg bij diens overlijden het beste stuk van zijn roerend goed, “grondheerlijkheid”. De heer sprak recht over de horige. De horige had een subsistentie- of overlevingseconomie: grond, arbeid en kapitaalgoederen werden binnen het eigen systeem aangewend. De grondbezitters deden aan surplus extractie, daartoe was zijn land verdeeld in het heeren- of saalland en het hoevenland voor de horige. Dit was het dominiale stelsel in gebieden met grootgrondbezit was dit normaal. Ten zuiden van de Loire en in Catalonie was men vrij of slaaf ve grootgrondbezitter. De meeste gegevens komen uit de polyptieken=inventarisachtige beschrijvingen van de kloosters. Een nieuw element vh dominiale stelsel is dus de binding van boeren in het bezit van eigen productiemiddelen aan (grond)heren dmv niet commerciële arbeidsdiensten. De redenen voor deze vorm vh dominiale stelsel waren drieërlei: geringe bev. Dichtheid, geen belastingsysteem en het gebrekkig functioneren van de markten. In de domeinen blijken vaak kinderrijke gezinnen te zijn geweest en vandaar uit is er expansie, specialisatie en arbeidsdeling. De stad Luik is ontstaan vanuit een domein.

Handel en giftexchange:
De economie, goeddeels agrarisch, berustte in de ME op wederkerigheid: prescriptief altruïsme. De Pirenne hypothese houdt in dat de handel in Zuid Europa rond de Middellandse zee en met de Arabische staten in de 6e –8e eeuw in elkaar zakte tgv de volksverhuizingen. Hier staat in elk geval tegenover dat veel uitwisseling van goederen berustte op ondersteuning bv graan voor de armen in Rome en giften voor de aristocratie. Wederkerige relaties op gelijk niveau: reciprociteit, op ongelijk niveau bv in de Gefolgschaft: redistributie. Koningen oefenden dwang uit op de aristocratie door hun kinderen in gijzeling te nemen of pleegouderschap, als tegenwicht tegen de macht van de aristocratie. Voor grond en arbeid was er nauwelijks een markteconomie, voor luxe goederen was er een markt tbv de aristocratie. Kleine markten sloten aan bij de jaarmarkten die in de buurt van centra voor elite consumptie werden gehouden. Er werd zilvergeld uitgegeven, de denarius, door de Merovingers, het begin ve monetisering van de relatie tussen heren en horigen.

I Friezen en Vikingen:
De Friezen hadden een bel. positie in de handel vanaf Zuid Scandinavië en de kusten vd Noord en Oostzee. (Het stabiele rijk van de Franken speelde daarin een bel. rol). Zij ontwikkelden de hulk en de kogge. Dorestad werd een belangrijk centrum. De Vikingen dreven handel en gingen op rooftocht. Dat lag voor hen in elkaars verlengde. Een hoofdman ve Gefolgschaft moest nu eenmaal geld hebben om aan zijn verplichtingen te voldoen. De handelswaar bestond uit pelzen, was, honing en pek. (Kaupang). Centra: Gotland, Brita, Hedeby. In Rusland begonnen zij handel te drijven met de Byzantijnen en de Arabieren. (vondsten van Dirhams) Overgebleven woorden: Rosskarlar=Roeiers=Russen en namen bv Igor=Ingvar. Samengevat was er een opvallende dynamiek in een weinig gecommercialiseerde agrarische samenleving. De vele munten waren prestige-obejcten. De handel was deels een gift exchange. De handel was meer gericht op personen. Steden als handelscentra hadden relatief geringe betekenis. (700 AD).


6. De wereld van de Franken

De Merovingers
Deze hadden regelmatig twee rijken ook nadat Clovis een soort totaal heerschappij had gevestigd. Na Clotharius kwamen er twee rijken. De aristocratie had ook in Francia veel invloed. Karel Martel kwam als hofmeier aan de macht en Pepijn de Korte riep zichzelf tot koning uit. Aanvankelijk geheten de Pippiniden, later naar Karel Martel de Karolingers. De koningen werden niet zomaar terzijde geschoven, zij behielden een soort sacrale legitimiteit die ook gebruikt kon worden.

De oorsprong van de Karolingische dynastie.
Karel Martel stopte de Moslims in 732 bij Poitiers. ( Het belang van de slag wordt vaak overdreven en het was in 733/34 bij Tours). Hij heerste ook over Aquitanie, Bourgondie en de Provence. Pepijn III de Korte volgde hem op. Hij werd door de paus tot koning benoemd te laste van Childeric, de Merovingische koning. In ruil kreeg de paus bescherming tegen de Langobardische koningen die zijn territoria bedreigden; de Byzantijnen konden deze gebieden onvoldoende beschermen. Bovendien leidde het iconoclasme tot een verwijdering tussen Rome en Byz. De zalving van hofmeier Pepijn III tot Pepijn I, eerste koning der Karolingers verhief hem, door de steun van de kerk boven alle rivaliserende hertogdommen etc. Hun geschiedschrijvers schilderden de Merovingers zeer neg. af. De band tussen kerk en Frankische koningen zorgden voor een solide structuur voor de kerk en een meer geïnstitutionaliseerde regeringsvorm.

De eeuw van de Karolingers.
Karel de Grote kwam in 768 aan de macht, dit duurde 50 jaar: agressieve oorlogsvoering oa verovering van het gebied van de Longobarden, dat hij onder zijn zoon Pepijn stelde als autonoom koninkrijk. Saksen. Friezen, Beieren en Pannonie werden veroverd. Strijd tegen de Moslims werd bij Roncevalles verloren maar rond Barcelona gewonnen. Het gevecht ging beter door de stijgbeugel, er was veel buit, dus ook veel krijgers. Verder werd het leenstelsel ingevoerd. Maar dat is niet verklarend voor het succes een ook niet voor het verval in de 9e en 10e eeuw. Persoonlijke factoren van Karel M, Pippijn I en Karel de Grote zijn belangrijk geweest. Kerk en Karolingers stelden de mogelijkheid in dat door de koning aangewezenen land in leen kregen van de kerk, tegen afdracht van rente. Door de tijd vervaagde de aanspraken van kerk en staat. Met zwaarbewapende ruiters (maliënkolder) werd gevochten. (NB bij de antieken en na 1300: infanterie). Een uitrusting kostte geld en tijd. De strijd werd een zaak van specialisten en regionaal –opgeroepen- ‘vrije” mannen.

Patrimonium en Staat.
I. Eer en Bloed.
Bloedverwantschap was traditioneel een bel. middel om de hiërarchie te ordenen. Mannen, maar ook vrouwen konden erven en hun naam doorgeven. Een hoge rang kon gebaseerd zijn op afstamming, vermogen en/of prestaties. De Karolingers verdeelden heerschappij en land onder de zonen. Bij conflicten moest de schade worden ingelost: wergeld, bij verzoening werd een breuk gestraft door de koning.

II. Beneficia.
Door een gewoonterecht op het bewerken van land kwam land na een generatie in het bezit van de kk. Echter het mocht niet vervreemd worden en er moest rente worden betaald. Zo bezat de kerk veel land. Kleine boeren schonken hun land aan de kerk, zij “kregen” het terug tegen protectie, “beneficia”. Personen droegen zichzelf op aan de koning tegen protectie, “commendatio”. De Merovingische koningen stelden “domeinen” ter beschikking, gebonden aan een ambt en tijdelijk. Vaak groeide dit uit tot permanent.

III Vazalliteit.
Merovingische bronnen: vassus als term voor lager, afhankelijk hofpersoneel. Veel gebruikt tot de 11e eeuw. Omringd met rituelen om de trouw te bezegelen, ook van onderworpenen. Vazalliteit en beneficium horen bij de feodaliteit, di: een systeem van ambtsuitoefening door middel van bilaterale verhoudingen tussen heer en vazal, die beiden vrije mannen waren en in staat zijn om een contract af te sluiten: trouw, bescherming, inkomsten tegenover diensten. Beiden waren leden van de aristocratie. Men kreeg een leen: land, een tol of een ambt. Feodaliteit als dwingend politiek systeem is van de 11e en 12e eeuw en geschiedde door graven en hertogen. In de feodaliteit kregen een aantal waarden vorm: regeling v geweld, competitiviteit, oorlog, rechten voor afhankelijken.

Een Bovenbouwstaat.
Alciun gaf cachet aan het rijk van de ruwe Karel de Grote. Hij zette de paleisschool op en vijzelde het intellectuele pijl van de grote abdijen op. De keizerlijke ideologie berustte op het klassiek-romeinse model en op de priesterkoning David. Dit gaf de keizer macht zich in het teken van Chr. uit te spreken over geestelijke en wereldlijke zaken. Speciale munten verwijzend naar de Romeinse Keizers, een kruis en een klassieke tempel. De kroning van Karel was ook in het belang van de Paus Leo III, die belaagd werd door de aristocratie. De karolingers zorgden goed voor hun PR bv de biografie van Karel door Einhard, de Rijksannalen, de Paltskapel in Aken (als tegenpool voor Rome), geïllustreerde manuscripten, de minuskel, studie vh klassiek latijn dmv copien van manuscripten. Er ontstond geen vaste residentie (drie redenen). Pfalz als stopplaats ve domein. Trouw werd als machtsmiddel ingezet (ambtseed). Verder een eigen kanselarij, bestuurlijke maatregelen en wetgeving, een algemene vergadering en da paleisschool als aanzetten toto staatsinstellingen. De kanselarij stond rechtstreeks onder de koning, verslaglegging vd alg.verg.: het maart- of meiveld. Het rijk moest worden opgedeeld onder de zonen, en in marken onder graven en hertogen. De meeste graven waren Franken, zij moesten de capitularia uitvoeren. Er waren ook veel voorschriften voor de graven zelf over dronkenschap, ambtsuitoefening ed. De band met de kerk was in technisch en ideologisch opzicht cruciaal. Het bekleden van geestelijken met wereldlijke macht was ook een noodzaak, het bleef lang voortbestaan. (De kerkelijke staat, het Vaticaan en de kerkelijke vorstendommen in Duitsland tot 1806). Macht bleef sterk persoonsgebonden. Staatsinstellingen leefden niet lang.

I De fictie van het keizerschap.
Lodewijk de Vrome volgde K de G op. Zijn rijk verviel aan Lotharius (keizer), Pippijn en Lodewijk koning van Aquitanie en Beieren. Veel opvolgingsproblemen met uiteindelijk eedaflegging als verbond tussen Lodewijk en Karel de Kale in elkaars landstaal. Eden van trouw vormden de basis voor de machtsstructuur. Er volgt een driedeling bij het verdrag van Verdun in 843: Lodewijk ten oosten van de Rijn, Lotharius Italie, Aken en Rome en Karel de Kale alles ten westen van de Rhone en de Schelde. De keizer van Oost-Francie: Karel de Dikke werd keizer, daar zetelde de fictie van de Rom erfenis.

II Graven en erfelijkheid.
Graven vulden het machtsvacuüm in de top op. Zij gaven ook weer lenen uit en gedroegen zich als autonome heersers over hun gebied. Zij hadden de beloningen passend bij hun ambt (tol, burcht, belasting). Zij knoopten banden aan met de inheemse grondbezitters. Er ontstond verzet tegen de Frankische overheersing. Uiteindelijk moesten keizer en koning zich neerleggen bij het erfelijk zijn van de leen.

Dynamische periferien.
I Brittanie.
Bel. verschil met het continent: de dooms (wetten) waren in de volkstaal ipv de capitularia ih Latijn. Er ontstond een inheemse rechtstraditie itt het Rom recht op het continent. In Engeland ontstond een geleidelijke integratie van de zeven koninkrijken. ( Nu nog als shires te herkennen). De rechtspraak werd olv Alfred de Grote v Wessex een voorbeeld.

II Moors Iberie.
Na Egypte veroverden de Arabieren Noord Afrika met Kairouan als centrum. Vanuit N Afr. Werd Spanje veroverd. Bij Tours (744 Karel Martel) werd het elan gebroken. De Moslims vestigden een indirect bestuur via verdragen. De Islamieten hadden het culturele overwicht, niet het getalsmatige. De Chr. en Joden werden getolereerd. Zij pasten alles, behalve hun geloof aan: de mozaraben. Een nazaat van de Umayaden vestigde zich in Cordoba als emir.

IIIDe vikingen.
In de 9e eeuw begonnen de handeldrijvende en plunderende Vikingen zich te manifesteren tot in Sevilla. Het was de meest langdurige invasiegolf in West-Europa tussen de 6e en de 14e eeuw. Archeologische bronnen leveren kennis op: boeren uit gebieden met veel erts, hoog vakmanschap, de expansie was mogelijk veroorzaakt door onderlinge competitie, zochten handelsrelaties, nieuwe vestigingen in Friesland, Ierland, Engeland en Normandie. Konden snelle raids maken. De Frankische koningen- ruiterij- konden de bevolking niet verdedigen, de locale heren wel, versnelling van decentralisatie van de macht. Door het roven van de V kwam het zilvergeld weer in omloop. In Engeland als belasting het Danegeld wat bleef bestaan toen de Denen Engeland regeerden. Door de omloop van het geld bloeide de handel met het oosten.


7 Versnelde groei
Tussen 950 en 1250. Econ, politiek, sociaal, cult, en rel. eerst het rurale deel: bev groei, voedsel prod. En surplus extractie. !!

De groei van de bevolking :
Waarschijnlijk sinds de 7e eeuw een gestage groei tot een kritische massa ontstond die voor soc, econ, en politieke veranderingen belangrijk was. Grote verschillen tussen Westen/Zuiden en Oosten/ Noorden.

Volume en Karakter van de Agrarische Productie.
Prod. Groei van de agrarische prod. betekende tot ver na de ME uitbreiding van landbouwareaal. Geen structurele bemesting. Wel: omzet van weidegrond in akkerland, minder braak (drieslagstelsel), verbeterde ploegtechniek, (rister ipv hak met minder trekkracht, ijzeren onderdelen) gebruik van het paard ipv os als trekdier. Dit soort ontw. gaat langzaam, er moet een bedding zijn: materieel, durf, middelen, voldoende land etc. In dichtbevolkte gebieden zoals Vlaanderen werden veevoeders (vee op stal) en land voor handelsgewassen gedeeld. De drooglegging van de veengronden maakte de boeren uit de WE kunstgebieden tot graag geziene gasten elders. Bossen werden ontgonnen door de boeren, waren het huis voor pelsjagers, pek- en washandelaars, mijnwerkers en outlaws, de koningen hadden recht op onontgonnen jachtgebieden waar soms bendes zich schuilhielden. (Robin Hood).

Nieuwe vormen van heerschappij.
I: De banale revolutie.
Door de bevolkingsgroei werden mensen opgenomen in allerlei sociale verbanden. Na het uiteenvallen van het rijk v K de G trad patrimonisering op. Frankrijk^Duitsland. De locale heersers namen ook de bannus over, een banale heerschappij. De “vrije” boeren die tot die tijd voor dienst en rechtspraak onder de koning vielen, die ver weg was kwamen nu onder het gezag vd locale heersers. (Geen land zonder heer ) vanaf 10e eeuw. De locale heersers behandelden de boeren erbarmelijk. Tweede helft van de 10e eeuw: explosieve groei van de kastelen (met krijgers voor de heer), om de bevolking te terroriseren. Verkasteling: motte, donjon, castelli).

IIRegionale verschillen en feodo-vazallitische verpakking
Ook in Nederland zijn resten van mottes, in Friesland, Zeeland en Limburg, delen die dus niet bij een groter gebeid hoorden. In Duitsland hielden territoriale vorsten meer greep op de heerschappijen. Meer ontwikkeling vanuit aristocratisch grootgrondbezit een kerkelijke heerlijkheden. De ontw bleef niet beperkt tot het Karolingische rijk, ook in Engeland en Spanje. Het was een gelaagd systeem waarin koningen/locale vorsten/graven en hertogen/banale heerschappijen hun ondergeschikten in een feodale band dwongen. (Geen feodale anarchie dus).12e eeuw. Uiteindelijk werden rechtspraak, wetgeving, bestuur, geweld meer gecentraliseerd door de territoriale vorsten, de locale heerschappijen werden opgeruimd.

III. Veranderingen in de surplus-extractie, aanp. In de dominiale economie.
Het hofstelsel en de grondheerlijkheid verdwenen. Mensen werden geëxploiteerd. Verdwijnen vh hofstelsel: het leven voor de aristocratie werd duurder (schenkingen aan de kerk, verlies van tienden, luxe goederen) pg 164, cruciaal stukje. De land/labour ratio veranderde, het bezit van eigen hoeven om arbeidskrachten vast te houden was niet meer nodig. Werd vervangen door betaalde landarbeiders of erfpacht ook van het herenland. Kloosterorden hadden goedkope arbeidskrachten en in E land bleef het tweeledig stelsel tot in de 14e eeuw bestaan. Horige lasten werden afgekocht. 1.sociale mobiliteit en verschillen namen toe 2. commercialisering en moneterisering vd plattelandseconomie3. problemen voor de domeinheren bij erfpacht.

Ridders en boeren in het ME maatschappij beeld.
Banale heerlijkheden betekenden de differentiatie van de krijgers. De drie standen over uit de 9e eeuw. Adalbero, bisschop van Laon combineert het met edelen/vrijen en horigen. Carmen ad Rothbertum regem. De mij.moest functioneren als een lichaam zei de clerus, alles moest samenvallen.

I.Ruiters worden ridders.
3 ingredienten: tactisch belang van de bewapende ruiterij, bereden milities voor de banheren en het stimuleren door de kerk van strijders voor Gods kerk. Uitrusting, techniek en wapens werden geavanceerder. De milities van hoge aristoc, komaf versmolten met de lageren. Er ontstond een esprit de corps met zwaardverlening, ridderstand 11e eeuw. Men wordt soldaat van Chr, net als voorheen de martelaren en de monniken. Er werden Chr deugden geïntroduceerd, het valt samen met het begin van d kruistochten en de religieuze ridderorden. Bern v Clairvaux, stimuleerde deze orden, hij bekritiseerde de seculiere ridders die teveel bezig waren met uiterlijk en toernooien. Bij de inauguratie vd ridders speelde de clerus een belangrijke rol.

II.Hoofse cultuur: Nieuwe spelregels voor het verkeer in hoge kringen.
Hoofse cultuur is het reguleren van spanningen en het verwerven van eer door in dienst te zijn van een vrouw, de koning of de kerk. Mogelijke waren het de niet ervende zonen die zich middels de “hoofse liefde”’ een plaats probeerden te verwerven. Vrouwen werden weliswaar aan beden maar ze hadden niets in te brengen. Drie litt genres: Chansons de geste, hoofse lyriek en de ridderroman. Ch de geste, oa het Roelandslied, een combi van geweld, rivaliteit en gevoeligheid. De hoofse lyriek van de troubadours (een arabisch woord) , invloed van de arab. poëzie, de mariahymnen en de liefdes poëzie van Ovidius. In het zuiden van Frankrijk werd het verzetspoëzie tegen de koning van Frankrijke en de paus (katharen) Het werkte door tot in de 13/14e eeuw, Sicilie, Toscane, Duitsland. Ridderromans geven een geïdealiseerd beeld: Chretien de Troyes, een soort spirituele queeste in de Arthurromans. Wofram von Eschenbach.

III. Tendensen tot rangordening en afsluiting.
1. men begon een hiërarchie te vormen in de ridderstand, 2. het ridderschap werd erfelijk. Schildknapen. Incidentele toetreding. Benoeming door de koning. Frequent een integratie van adel en ridderstand, in Duitsland minder oa door de rijksvorsten. Ridders bleven vaak lage adel.

IV. Boeren.
Werkers, zij werden frequent negatief afgeschilderd. De stand emancipeerde omdat hun hoeve/land ging vereven en omdat erfpacht vastlag. (ondanks inflatie). Het hofstelsel verdween en er werden dorpen gevormd. Daarin ontstond een organisatie met bestuur, lagere rechtspraak, gezamenlijke bebouwing etc. In Engeland en Scandinavië niet, resp door het manor court en te dunne bevolking.


8. Religieuze en kerkelijke vernieuwing (1000-1250)
Kerk: tweeledig: geestelijk maar ook veel wereldlijke belangen. In de 11e en 12e eeuw werd de wereldlijke invloed minder, de invloed vd geestelijkheid en de paus nam toe. De gewone gelovige manifesteerden zich in de kerk.

Het hervormingsstreven.
Morele hervorming was er altijd al, daar kwam nu bij de hervorming vd kerk als instituut.

I Paus tegen keizer: de investituur strijd
Lekeninvestituur: De koning benoemde de bisschoppen. In Duitsland nog twee andere dingen, de koning ging zich teveel bemoeien met de benoeming van de Paus en de koningen bekleedde bisschoppen met wereldlijke macht. In E laad kregen de geestelijken geen wereldlijke macht. In Frankrijk wel maar daar was de koning te zwak dus daar ontstond geen strijd tussen s en koning. De herv. Werden ingezet door de Duitse keizer Hendrik III die zijn neef toto Paus (Leo X) benoemde. De lekeninvloed nam af. Het conclaaf v kardinalen benoemde de Paus Gregorius VII stelde de Dictatus papae (1075) op. Het is een extreme interpretatie van de twee zwaardenleer. In de 12e en 13e eeuw een grote pauselijke invloed itt de Caesaropapistische opv ( Keizer is hoofd van de kerk). Innocentius III (1198-1216) liet bij de zwaardomgording van de keizer de woorden “ontvangen van God”’ vervangen door “Ontvangen van de Paus”. In 1075 benoemde Hendrik IV de aartsbisschop v. Milaan, de paus deed hem in de ban en zette hem ook uit zijn ambt. Beroering in Duitsland. De keizer moest naar Canossa. De paus eiste gehoorzaamheid en meende dat de keizer in het westen niet perse Duits hoefde te zijn. Bij het Concordaat van Worms in 1122 werd de zaak geregeld. De koning ging alleen nog over de wereldlijke macht voor de bisschoppen. Omdat bisschops- en ambtsambten waren bleven de leken zich met de benoemingen bemoeien, meestal achter de schermen. Het eigen kerken systeem werd teruggedrongen en de pastoors benoemingen in bv Alpen en Pyreneeën kwamen bij de dorpelingen te liggen.

II. De pauselijke aanspraken op het hoogste gezag in de wereld.
De kerk had ideologische propaganda, diplomatieke bravoure en kerkrechtelijke sancties (excommunicatie, interdict en beschuldiging van ketterij) tot haar beschikking. Pausen moesten bondgenoten zoeken die bereid waren hen als leenheer te erkennen. Frederik Barbarossa bond de strijd met de pausen stevig aan, hij stelde het Heilige Roomse Rijk in.

De Pausen als leiders van de kerk.
Het coll. van kardinalen was het belangrijkste advies- en bestuurscentrum. Het ambtelijk bestuurscentrum was de Curie. De pauselijke rechtspraak werd gekanaliseerd door de Curie. Bern.v Cl vond het teveel Justinianus en te weinig kerkelijk recht. De pausen probeerden hun inkomsten te regelen oa via de belasting van geestelijken. Vanaf de 12e eeuw werd ernst gemaakt met het beheer van hun wereldlijke domeinen. Leo IX riep voor het eerst een concilie bijeen. Van defensief naar offensief. Niet alleen de lekeninvloed terugdringen maar ook de lekenwereld zuiveren van amorele zaken. (12e eeuw) Zij letten ook op de eenheid vd kerk. De concilies waren vaak ter “fiat”tering van de pauselijke besluiten. Vier Lateraanse concilies die aldaar werden gehouden. Paus Innocentius III wordt beschouwd als het hoogtepunt van de pauselijke macht in de ME, de belichaming van het pausschap. Zowel spiritueel als politiek, middels de plenitudo potestatis die door Inn III werd verbonden met de sleutelmacht van de Chr. ( ev van Matth.)

Hervormingen en vernieuwingen in het kloosterwezen.
I. Cluny en de ecclesia cluniacensis
Via Cluny, opgericht door Willem de Vrome, hertog van Aquit in 910, Regel v Benedictus, bidgebod, Allerzielen, begraafplaats, spijzen van de armen. Cluny kreeg ongeveer 1000 satelliethuizen, zij bleven buiten de wereldlijke macht, zij hadden een bijzondere relatie met de paus, maar zeker met Petrus en Paulus (bedevaarten, schenkingen), het was een centrum van geleerdheid. (4 factoren) ook andere kloosters mn in Duitsland hervormden.

II Godsvrede en Godsbestand
Pogingen om het geweld vd banale heerschappijen te beteugelen. Initiatief vanuit Cluny, er kwam kritiek oa van Adalbero van Laon, die erg koningsgezind was omdat men het zag als bemoeien met wereldlijke zaken.

III.De nieuwe orden.
La grande Chartreuse, 1084, Karhuizers en Citeaux, 1098, Cisterc.waren in feite de eerste kloosterorden. Hiërarchisch, pyramidaal systeem. Het werk werd gedaan door conversi, lekenbroeders. Bern v Clairv (1090-1153) was een van de drijvende krachten achter het militanter worden van de kerk. De Cist. Werden na 1200 belast met de niet militaire strijd tegen de katharen. De premonstratenzers, opgericht door Norbert v Gennep, waren kanunniken. Taak werd zielzorg itt de opv. vd oprichter die strenge afzondering voorstond .

IV. Vita apostolica en de nieuwe spiritualiteit.
Leven volgens het evangelie, spiritualiteit, vermenselijking v Chr en Maria; Waldensen, humiliati, Begijnen.

V De bedelorden.
Franciscus vatte de tekst vh NT letterlijk op. Hij had een goede relatie met de kardinaal-bisschop v Ostia, de latere Paus Greg IX (1227-1241), waardoor zijn beweging een religieuze orde werd. Midden 14e E 1400!! Huizen. Strijd tussen realisten en spirituelen. Johannes XXII: Cum Inter Nonnullus. Dominicanen kozen voor prediken in de volkstaal : scholing !! Geen abt, wel prov en generale kapittels.

De gelovigen worden zichtbaar.
In een kroniek, in de ruimte in de kerken, in toename van de zielzorg, in de vergroting van het aantal parochies. Rond 1033! wil men vrede en is de internalisering van het Chr. dom een flink eind op streek. Via de kerk (en de eucharistie) werden de gelovigen soms gemobiliseerd tegen de Joden, ketters of de locale heerser. De relieken en heiligenverering heeft een sterk magisch aspect.

I Het ontstaan van een persecuting society.
“Ketterij” in de vorm van theol uitleg maar ook van groepen die in de 11e eeuw veelvuldig ontstonden uit protest tegen de gang van zaken in de kerk en de leefwijze van de clerus. De grens tussen heilig verklaring en de brandstapel was erg dun. De katharen geloofden dat de goede God zich pas in het NT openbaarde, de e daarvoor was van de Satan. Men moest zich dus van het aardse onthouden (te vergelijken met de manicheers) dit was erg zwaar, er waren om die reden gelovigen en perfecti. Doordat de kerk en de staat definieerden wat goed en slecht was konden alle afwijkende opvattingen worden vastgesteld en vervolgd, de paus speelde daarin een leidende rol, in de 12 eeuw werd ook de Inquisitie opgericht. De katharen, de joden, de homos en de leprozen waren de eerste slachtoffers. De strijd tegen de katharen was landjepik met de Franse Koning als winnaar. De joden waren schuldig aan de kruisdood van Chr, zij waren niet zuiver in de leer en zij konden rentes vragen voor hun financiële transacties. In de 12e eeuw komt een virulent antisemitisme op. De negatieve tolerantie uit de tijd van Aug sloeg om in discriminatie en vervolging. De expansiefase in de ME had een sombere schaduwzijde!! (207).


9.Vroege koninkrijken en territoriale vorstendommen

In de tiende eeuw ontstaan de dynastieën omringd door vazallen en hogere geestelijkheid. De koning moest zichtbaar en voelbaar zijn. De kerk had veel stabielere instituties en dus meer invloed. De territoriale machten waren mogelijk door stabiele verhoudingen op lokaal niveau, door de economische groei en door het uitblijven van migraties van buitenaf.

De droom van het imperium
I. Oost en west Frankische rijken.
Tot 1917 zijn er in Europa drie keizerrijken: Habsburgs, Russisch en Osmaans. Behandeld wordt het Duitse Rijk, de staatsmacht ontstond daar vroeg, het was centraal gelegen, en het was een zeer groot rijk. Het rijk, de territoriale vorstendommen en sommige steden ontwikkelden zich tot staatsrechtelijke eenheden. Het oosten en noorden (van de Donau) was weinig ontwikkeld. Het zwaartepunt lag in het westen, maar de voortzetting vond plaats in de minst gekerstende oostelijke delen. Hendrik I (919-936) breekt met de erfdeling. Het Teutonnse/Duitse eigendom wordt onderscheiden van de heersersdynastieën. Opv: Ottonen (919-1024), Saliers (1024-1125) en Hohenstaufen (1132-1254). De duitse koningen slagen er itt de Franken in een rijk te vestigen: translatio imperii. Pas vanaf de 12e eeuw konden de Capetingers een soort centrale macht vestigen, met een concentrische uitbreiding.

II. De vestiging van het Duitse Koninkrijk.
Hendrik I werd de eerste gekozen koning van Saksen, Franken, Zwaben en Beieren, de zogenaamde stamhertogdommen. De drie Ottos werden via onderhandelingen en vroegtijdige kroningen keizer van het Duitse Rijk, tegen de weerstand van de territoriale dynastieën die inmiddels erfelijk geworden waren in. Otto III overleed kinderloos. Koenraad II werd de eerste Salische koning. Familiebanden waren essentieel, maar ook gevaarlijk, Otto I benoemde her en der zijn familie, hij palmde Lotharingen (ooit bedoeld als middenrijk) in en later Bourgondië. Het rijk bevatte Germaans, Romaans, Latijns en Slavisch taligen. Versterkte Marken (kolonisatiegebieden) moesten de Magyaren ea terugdringen. (Steiermark bv) Het rijk handhaafde zich met een zwaar bewapende ruiterij en voortdurende strijd.

III De Rijkskerk.
De koningen vestigden hun macht door aan bisschoppen etc wereldlijke macht toe te kennen. Aan het hof de geletterde geestelijkheid: kanseliers. Oa Bernward van Hildesheim en Bruno van Keulen droegen bel bij aan de Ottoonse Ren. Tussen leken en geestelijkheid was intensief ruilverkeer rond hun belangen. De uitstraling vd Rijkskerk werd zichtbaar in de kathedralen: Maagdenburg, Bamberg, Spiers (De Saliers) Altijd twee torens van gelijke hoogte: de geestelijke en de wereldlijke macht.

IV: Herstel van het keizerschap.
Otto ! deed hetzelfde als Pippijn (Karolingers) hij trok Italië binnen en liet zich door Johannes XXII zalven tot keizer. Vervolgens zette hij de Paus af en gedroeg zich als volledig geestelijk machthebber, hij benoemde Leo VIII als Paus. Om het Romeinse Rijk zogenaamd te herstellen huwde Otto II met prinses Theophanu. Uiteindelijk was de militaire inspanning in Italië en aan de oostgrens te groot en werd het noordelijk deel verwaarloosd met alle gevolgen van dien. Ook kreeg het pausschap weer meer inhoud.

V Imperium en Sacerdotium.
Alle Duitse keizers trokken over de Alpen om zich door de paus te laten kronen, maar Italië en Rome zagen dat niet gaarne. Uiteindelijk worden Otto III en zijn paus Silvester II uit Rome verjaagd. Met Leo IX (1048-1054) krijgt de pauselijke waardigheid een nieuwe wending. Maar de Rijkskerk was zo verweven met de wereldlijke macht dat hervorming onmogelijk was zonder het fundament van het Rijk aan te tasten.

VI De Mediterrane ambities van de Hohenstaufen.
Frederik I (1152-1190) en Frederik II (1212-1250) wensten t/m het Heilige Land te beheersen. Dit leidde tot spanningen met de Byzantijnse keizer en met de koningen van Castilie, Engeland en Frankrijk, voor het eerst was er sprake van Europese diplomatie.

VII. Het Duitse Rijk:
Regnum Teutonicum, koninkrijk de Duitsers, Oostenrijk, Zwitserland, Bohemen. Het Heilige Roomse Rijk omvat ook Italië, Bourgondie en de heerschappij over Rome. De Hohenstaufen moestem schipperen om hun macht te behouden. Strijd tussen de H en de Welfen (Hendrik de Leeuw). Fred II werd in het Noorden als een vreemde gezien, hij had teveel luipaarden en
Ethiopiërs en zijn gevolg.

VIII. Italie.
Fred I moest de stedenbond olv Milaan te lijf. Hij voorzag in een doordachte wetgeving geënt op die van de Rom keizers. Voor het eerst in de ME mbv rechtsgeleerden uit Bologna. Hendrik VI verloofde met Constanza, de dochter van Roger II v Sicilië. Hij werd koning van Sicilië. Zijn zoontje Fred II was drie toen H overleed, hij werd op Sicilië opgevoed door de hoogontw Paus Innoc III.

IX Keizer en Paus.
De strijd tussen FII en Paus toen de eerste de Milanezen van ketterij beschuldigde: Fred II verdronk. De Pauselijke wapens banvloek, excommunicatie etc hadden geen effect meer. De pogingen van de Greg. hervormingen om de geestelijkheid boven de leken te verheffen faalde vanwege de verwereldlijking. Het koningschap verwordt vanaf 1190. Het interregnum duurt tot 1273. Met de verkiezing van Rudolf van Habsburg tot Roomskoning. In die periode hebben de Rijkssteden en de territoriale vorsten vrij spel en zij maken de dienst uit tot 1871. De Habsburgers leveren de keizers van 1438 tot 1918.

Gestichte Koninkrijken.
I Vazalstaten in Midden Europa.
Ten oosten van de Oder vormde zich ten als tegenwicht tegen de Duitse Markgraven een krachtige Christelijke heerschappij: Polen, Boleslaw liet zich tot koning kronen. Er ontstaan dire Christelijke koninkrijken tussen de duitsers en de slaven: Polen, Bohemen en Hongarije, deze zijn tot heden van betekenis.

II The making of England.
223. Willem de Veroveraar. Hastings 1066. De Frankische feodaliteit werd ingesteld. De rechtsmacht blijft bij de koninklijke rechtbanken uit de Angelsaksiche tijd. Men maakt gebruik van het Angelsaksische bestuurssysteem, ingedeeld in graafschappen. De Engelse kroon had een systeem van onbetaalde openbare diensten. De macht van de territoriale vorsten trad hier niet op vanwege deze directe binding gepaard aan de regionalisering uit de Angels. tijd. Hendrik v Plantagenet (1154) kwam op de Engelse troon, hij huwde met Eleonora van Aq en Aq werd Engels. De Engelse aanspraken op de Franse kroon leidden vanaf 1337 tot de Honderdjarige oorlog.

III Iberie.
Cordoba. Het kalifaat zorgde in de 1oe eeuw voor een enorm, geïrrigeerd, landbouwgebied en veel handel. Qua omvang te vergelijken met Constantinopel en Bagdad, katholiek europa ver vooruit. Handel in zijde, kruiden (geneeskunde), slaven uit Afrika en Europa (tgv roof). Bankiers, bibliotheek. La mezquita. Enorme hausse aan vertalingen vanuit het Grieks en het Arabisch in de Benedictijner Abdij v Ripoll. Gerbert van Aurillac= Paus Silvester II gaf aan het westen de Arabische cijfers door. Een bloeiend centrum van cultuur en kennis, sterke rivaliteit vanuit de Chr wereld. De Mozaraben weken uit naar het noorden. Het kalifaat van C valt uiteen en de macht wordt overgenomen door puriteinse Berberstammen: Almoravieden, in 1098 erkend door de kalief van Bagdad. De strenge zedelijkheid verscherpte de verhoudingen met de Chr. In 1125 dringt Alfons I van Aragon door tot in Malaga. In 1147 de Almohieden, streng Islamitisch, verslagen door een kruistocht. Het koninkrijk Granada blijft verstopt achter de bergen overeind. De Reconquista vindt plaats langs drie verticale assen, nu nog drie taalgrenzen: Portugees, Castilliaans en Catalaans. Een van de problemen na de herovering was het dun bevolkt zijn: “Wie een moor heeft..” etc.

Frankrijk: het concentrisch model
Ontw. vanaf de 12 eeuw. De koning bezet alleen het gebied rond Parijs. De rest: Normandie, Vlaanderen, Champagne was officieel in leen maar in feite zelfstandig. Lodewijk VII scheidt van Eleon van Aquit, (1152) en hertrouwt een telg uit het huis van Champ. Eleon van Aq huwt met Hendrik van P, graaf van Anjou die in 1154 koning van Engeland wordt. Zij zorgden voor verspreiding van de troubadourlyriek die in feite het adellijk gedragspatroon voor Europa regelde. De Capetingers mn Filips Aug, wisten het rijk te vergroten door gebruik te maken van de zwakheid van hun tegenstanders. Normandie werd veroverd op Jan zonder Land in 1204. Het zuiden werd veroverd mede dankzij de hetze van Inn III tegen de katharen. Na de 100 jarige oorlog (1337-1453) zou Frankrijk tot in de 18e eeuw het rijk concentrisch blijven uitbreiden.

I De balkan.
De rivaliteit tussen de oosterse en de westerse kerk speelde de locale machthebbers in de kaart. De Serviërs konden door pauselijke erkenning en gespaard voor Mongoolse invasies hun gebied drastisch uitbreiden.

Institutionalisering van de staat.
I De Monarchale dynamiek
In de 10e – 13e eeuw zijn de –ook nu nog bestaande monarchieën ontstaan. Als er samenvoegingen ontstonden staken de oude eenheden vroeg of laat de kop op. Omstandigheden van vestiging van de vroegste monarchieën: kenmerken: A Kerk en Chr dom, erkenning vd expansie door de kerk met kersteningopdracht. 1. Er was in het jaar 1000 nog veel te doen, 2. de kerk hield de standaard vh RR overeind, 3. samenwerking met de kerk versterkte de positie vd krijgsheren. B Ontw.vd rijken was primair of secundair (234). C Autonome vormingsprocessen. D Essentieel territoriale ontwikkeling. De kustgebieden en de gebieden tussen de grote invloedssferen waren altijd een belangrijke factor. De strijd gaat om de schaarse overschotten.

II Het koningschap wordt een ambt.
De grondslag lag in de domein economie, de stem vd clerus was onontbeerlijk. Sacralisering van de vorst. De kerk probeerde de Chr beginselen in het gedrag van de heersers te krijgen. Otto I werd twee maal gezalfd en gekroond, hij bezet de Heilige lans. Vanaf de 11e eeuw (2e helft) probeerde de kerk de sacrale invloed te verminderen. Grote veroveringen (Knut, Steven) zag men als de hand van God. Godsvrede was belangrijk voor de koning om de territoriale heren eronder te houden. De clerus werkte mee, uit hoop op bescherming. Door gebiedsuitbreiding was stabilisatie nodig om een bestuursstructuur te vormen. Er ontstaat hernieuwde belangstelling voor het Rom recht.

III. Dienaren van de staat.
Duitsland: een aristocratie met een monarchale top. De landadel was tot de 19e eeuw dominant. Ministerialen kregen lenen zonder erfrecht, ook ambten in koninklijke dienst. Er ontstond echter geen ambtenarenstand omdat sociale stijging eerder werd bereikt als lagere adel in het kader van feodaliteit. In Engeland was het koninkrijk al voor 1066 hecht georganiseerd. De vrije mannen vielen onder de common law. (Het nationale eenheidsrecht van Europa) Rechtspraak en financiën werden het eerst op orde gebracht in heel Europa. Willem de Veroveraar hield zijn vazallen ( hij introduceerde het leenstelsel) strak onder de kroon. Zij moesten een bepaald aantal krijgers leveren. Hij introduceerde de bailli, een ambtenaar in tijdelijke dienst, betaald, die rekenschap moest afleggen. (ipv landbezit als beloning). In Vlaanderen en Frankrijk werden baljuws aangesteld.

IV.Machtsvertoon in Gotische stijl.
De Gotische bouwstijl ontstond rond Parijs, te beginnen in ST Denis met een door Suger ontworpen kooromgang. Grotere ramen. Luchtbogen, spitse gewelfconstructie. Sens, Laon, Parijs. Van Trondheim tot Sicilie verspreidde zich de gotiek. De Kathedraal scholen maakten gebruik van Arabische kennis over gewichtsverdeling. Er zijn teksten bewaard. De machtsuitstraling van de kerken sloeg over van koningen naar burgers. Aanvankelijk: eredienst, later prestige, toen werd de stijl ook toegepast voor woonhuizen en paleizen.


10. Wankelende kernen in het oosten en het begin van de Europese expansie
Het westen wordt agressiever.
Tgv het stoppen van invasies uit Azië en Scand, bevolkingsgroei en vergroting van de landbouwproductie nam de West Europese expansie toe. Men ging in WE venen en moerassen droogleggen, bossen kappen en nieuwe gronden aanboren. De Normandiers trokken naar Engeland en daarvoor al naar Zuid Italië (1029). Robert Guiscard versloeg in 1053 Paus Leo IX, later had de paus hem nodig als steun tegen Hendrik IV. Hij bevrijdde Greg VII. Zijn broer Roger veroverde Sicilië op de Moslims, de paus benoemde hem tot legaat!!. Een belangrijk voorbeeld voor de kruistochten, op basis van Byz en Arab instellingen werd een solide koninkrijk opgebouwd. Vanaf de 13e E “Drang nach Osten”, het ging om land maar het wordt voorgesteld als een kruistocht tegen de heidense slaven. Het handelsverkeer met Moslimlanden, Egypte, werd aangetrokken. Een andere kern was Venetië, dat oude banden met Byzantium had en daarvan gebruik maakte. De westerlingen namen het initiatief voor de handel. Verschil in godsdienst was geen enkel bezwaar.

Het multiculturele oosten.
De arabieren lieten andersgelovigen in hun waarde. Zij moesten wel een spec. belasting betalen. In het middenoosten bestond een melting pot van moslimrichtingen en chr richtingen. Er waren tevens etnische, taalkundige en culturele verschillen. Joden en Chr zagen de Moslims als bescherming tegen de Byzantijnen. De Turkmenen onder de Seldjoeken veroverden in 1071 heel klein Azië, inclusief Palestina en Syrie. Zij wensten orthodoxie, hun rijk stortte vrij snel in, hun wrede handelwijze werd als reden opgegeven voor de Kruistochten. Er zijn echter weinig bewijzen voor wreedheden of intoleranties van de Turken tav de Christenen. De kr

Other pages containing these years:
   1000:
..GescH/BaC1/CardoA
..cH/BaC1/GariBaldi
..pHogeMiddeleeuwen
../GescH/BaC1/MoRen
..aC1/PrimoGenituur
..BaC1/RomeinseRijk
..scH/BaC1/ViKingen
..aC1/HCEconG_Week1
..BaC1/HCMidG_Week4
..BaC1/HCMidG_Week6
..BaC1/HCMidG_Week7
..BaC1/WCMidG_Week4
..H/BaC1/PalMer_P26
..lP/YearS_AdvanceD
..ialeGs_HoofdStuk2
HelP/YearS_BasiC
..iReprGov_ChapteR1
..escH/BaC1/MeekraP
..cH/BaC1/DeOudHeid
..MeWoView_ChapteR9
..MeWoView_ChapteR5
   1024:
..slandMiddeleeuwen
..gi/LinebreakError
   1054:
..BaC1/GroteSchisma
..MeWoView_ChapteR8
..MeWoView_ChapteR5
   1066:
../BattleOfHastings
..scH/BaC1/DaneGeld
../EduardDeBelijder
..elandMiddeleeuwen
..lliamTheConqueror
..BaC1/HCMidG_Week7
..MeWoView_ChapteR5
   1071:
..BaC1/KruisTochten
../SlagBijManzikert
..MedievEu_ChapteR3
..MeWoView_ChapteR5
   1075:
..aC1/DictatusPapae
   1084:
..cH/BaC1/HendrikIV
../BaC1/KartHuizers
..C1/RobertGuiscard
   1122:
..oncordaatVanWorms
..rederikBarbarossa
../HCNedGs_CollegE2
../HCNedGs_CollegE3
..GescH/BaC1/WelFen
..MeWoView_ChapteR8
   1147:
..BaC1/KruisTochten
../TweedeKruistocht
   1154:
..cH/BaC1/HendrikII
../BaC1/LodewijkVII
..escH/BaC1/SiCilie
..BaC1/HCMidG_Week7
   1190:
..rederikBarbarossa
..GescH/BaC1/WelFen
   1198:
../BaC2/GsVdNL_H2P1
   1200:
..BaC1/HCMidG_Week6
..BaC1/HCMidG_Week8
../BaC2/GsVdNL_H2P3
..2/LaVaKl_Deel4H16
../HCNedGs_CollegE2
../HCNedGs_CollegE5
..MeWoView_ChapteR9
   1204:
..aC1/JanZonderLand
..BaC1/KruisTochten
..H/BaC1/MaimonideS
../VierdeKruistocht
..TheorieI_HoorCol5
..MeWoView_ChapteR5
   1212:
..H/BaC1/FrederikII
..BaC1/KruisTochten
../BaC1/ReconQuista
   1227:
../BaC1/GenghisKhan
   1250:
..H/BaC1/FrederikII
..dewijkIXDeHeilige
   1254:
../BaC1/InterRegnum
   1273:
../BaC1/InterRegnum
   1300:
..cilieVanConstance
../HogeMiddeleeuwen
..nHogeMiddeleeuwen
../LateMiddeleeuwen
../GescH/BaC1/MoRen
..aC1/HCEconG_Week1
..BaC1/HCMidG_Week5
..BaC1/HCMidG_Week6
..BaC1/HCMidG_Week7
..BaC1/HCMidG_Week9
..MedievEu_ChapteR9
../MedievEu_352-375
..cH/BaC1/PalMer_P5
..H/BaC1/PalMer_P10
../BaC2/GsVdNL_H3P1
../HCNedGs_CollegE3
   1337:
..nderdjarigeOorlog
..cH/BaC1/PalMer_P5
../BaC2/GsVdNL_H3P1
   1400:
..1/GeoffreyChaucer
..cH/BaC1/RichardII
..1/CanterburyTales
..TheorieI_HoorCol1
   1438:
..onarchieFrankrijk
..SanctionOfBourges
..RoomseRijk_na1648
..cH/BaC1/PalMer_P5
../BaC2/GsVdNL_H3P2
   1453:
..C1/ConstantiNopel
..nderdjarigeOorlog
..VanConstantinopel
../HCInlGesch_week5
..cH/BaC1/PalMer_H2
..TheorieI_HoorCol5
..MeWoView_ChapteR5
   1800:
../HCInlGesch_week1
../HCInlGesch_week4
..HCNieuwsteG_week3
..1/VanAgrar_79-107
..C1/VanAgrar_49-77
../VanAgrar_219-251
../VanAgrar_123-133
..BaC1/WCMidG_Week4
..G_ArtikelNapoleon
..ievormingRond1800
..C2/LaVaKl_Deel1H6
..naleCohortAnalyse
..ialeGs_HoofdStuk2
..aleGs_HoofdStuk2a
..C2/NucleairFamily
..ialeGs_HoofdStuk5
..aleGs_HoofdStuk5a
..H/BaC1/PalMer_P52
..HoorCol7Discussie
   1806:
..DecreetVanBerlijn
../BaC1/HabsburgerS
../BaC1/JarenNaJena
..RoomseRijk_na1648
..cH/BaC1/PalMer_P8
..H/BaC1/PalMer_P37
..H/BaC1/PalMer_P49
..ievormingRond1800
..C1/LouisBonaparte
..C2/LaVaKl_Deel1H7
   1871:
..eeVanDeNatieStaat
..H/BaC1/VersailLes
..enPunten_VollediG
..euwsteG_2002week3
..nalIsme_OnderWijs
..WCNieuwsteG_week6
../GescH/BaC1/IsmeS
..H/BaC1/PalMer_P65
..H/BaC1/PalMer_P70
..H/BaC1/PalMer_P80
..H/BaC1/PalMer_P85
..aleGs_HoofdStuk2a
..G/GescH/BaC2/ANWV
..BaC2/PalingOproer
..2/LaVaKl_Deel2H12
..iReprGov_ChapteR5
ForuM/PanIiP
..C1/CommuneVan1871
../BaC1/KulturKampf
   1917:
..ussischeRevolutie
..H/BaC1/SovjetUnie
..H/BaC1/SowjetUnie
..GescH/BaC1/StaLin
..S_ChapteR1UitgebR
../VanAgrar_345-384
..H/BaC1/PalMer_P26
..H/BaC1/PalMer_P87
..C2/LaVaKl_Deel1H5
..2/GoemanBorgesius
..2/LaVaKl_Deel2H14
..2/LaVaKl_Deel2H15
..GescH/BaC2/LaVaKl
..C2/LaVaKl_Deel3H2
..heWorldS_ChapteR3
..dS_ChpterRUitgebr
..Sofie/BaC1/SartrE
..dGs_TentamenDeel2
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen

more... Too Much to list
Part of the LogiLogi Network: The LogiLogi Foundation - LogiLogi.org - OgOg.org
This is an old version for archival purposes, see www.LogiLogi.org for the current version.
< Edit this document | View history | Printer friendly (inc. links) >
Visited 11548 times
Document last modified Wed, 03 Mar 2004 11:39:21
All content is available under the GNU Free Documentation License. The LogiLogi-system is under the GPL
SourceForge.net Logo Zylon Internet Services-Groningen Logo
Visitor statistics