Fremd Ling_2. De naoorlogse periode: wederopbouw en koersbepaling


Gezien het enorme menselijke leed dat de Tweede Wereldoorlog veroorzaakte - tussen de 45 en 50 miljoen mensen verloren het leven - heeft het opmaken van een louter economische balans van de gevolgen van die oorlog iets weerzinwekkends. Het leed zelf valt hiermee immers niet te peilen, wél is het mogelijk om in economische categorieën weer te geven dat met het doden, verwonden en verdrijven van mensen hun productieve vermogen werd vernietigd of verzwakt. Daar komt nog bij dat de gevechts­handelingen een enorme vernietiging van de infrastructuur, van machines, gebouwen en vee tot gevolg hadden. Door al deze verwoestingen, vooral in veel Europese en Oostaziatische landen, raakten talloze over­levenden tijdens de oorlog en in de eerste jaren daarna in grote nood en konden ze nauwelijks voorzien in hun meest noodzakelijke levensbehoeften: voedsel, kleding en onderdak.

De economische gevolgen van een oorlog beperken zich echter niet tot de direct optredende ellende ten gevolge van dood en verwoesting. Tijdens de oorlog en de voorbereiding erop wordt de capaciteit van een economie gericht op de productie van wapen­tuig. De economische hulpbronnen (arbeids­kracht, kapitaal­goederen) van het betreffende land - en vaak ook van gebieden in andere landen, die door een bezettende macht economisch geëx­ploiteerd worden - worden dientengevolge grotendeels ingezet t.b.v. de wapenin­dustrie en zijn derhalve niet meer beschikbaar voor de productie van consumptiegoederen en van op de toekomst gerichte investe­rings­goederen. De Tweede Wereldoorlog had tot gevolg dat de economi­sche capaciteit gedurende vele jaren niet werd benut ter verhoging van de levensstandaard. Die capaciteit werd bovendien nog verminderd door het feit dat de oorlog de interna­tionale economische betrekkingen had verbroken of grondig gewijzigd. Hier is overigens slechts sprake van de verster­king van tendensen die in verband met de economische wereld­crisis al in het begin van de jaren dertig waren begonnen: namelijk een toenemend protec­tionisme (invoerbelem­meringen) en een ontwrich­ting van het internationale monetaire systeem (het falen van de gouden standaard). Toen al waren de positieve effecten van de interna­tionale handel ver­minderd. Die effecten berusten op een interna­tionale arbeidsde­ling, waarbij ieder land zich vooral op die branches concentreert waarin het relatief goedkoop kan produceren en waarbij het zijn producten met andere landen ruilt.

Tegenover de negatieve gevolgen van de Tweede Wereldoorlog staan economisch gezien echter ook een paar positieve: zo maakte b.v. in de Verenigde Staten pas de door de oorlog veroorzaakte opleving van de conjunctuur een einde aan het probleem van de werkloosheid, die als gevolg van de economische wereldcrisis tot aan het eind van de jaren dertig veel mensen brodeloos had gemaakt. De wapenindustrie had grote investeringen in moderne fabrieken gevergd. Omdat in die fabrieken na de oorlog snel kon worden overge­schakeld op een productie voor vreedzame doeleinden, droegen de in oorlogstijd gedane investeringen op de lange termijn bij tot een vergroting van de productiecapaciteit. Ook op dat punt kunnen de Verenigde Staten als voorbeeld worden aangehaald. Maar zelfs voor Duitsland kan worden vastgesteld dat de fabrieksinstal­laties, voorzover ze niet waren vernietigd, na de oorlog in het algemeen moderner waren dan ervoor. De oor­logscon­junctuur met hoge wereldmarktprijzen stimuleerde vooral die landen die niet direct bij de oorlog betrokken waren, tot een verhoging van de productie van grondstoffen, voedingsmid­delen en industriegoe­deren. Daarvan profiteerden in Europa vooral Zwitserland en Zweden; buiten Europa waren dat vooral de econo­mieën in Zuid-Amerika en in bepaalde delen van Azië. Sommige onderzoekers zijn zelfs van mening dat de totale wereldproduc­tiecapaci­teit tijdens de oorlog eerder toe- dan afnam.

In de eerste jaren na 1945 werden alle direct bij de oorlog betrokken landen, d.w.z. die landen waar de strijd zich daad­werkelijk had afgespeeld, geconfronteerd met drie onderling samenhangende problemen: economische nood, wederopbouw en een fundamentele heroriëntering van de economische politiek. De betreffende landen probeerden de nood vanzelfsprekend door de inzet van hun eigen hulpbronnen te lenigen. Die waren echter bij lange na niet voldoende en daarom moesten vooral door de Verenigde Staten geschonken levensmiddelen en ter beschikking gestelde kredieten de grootste gaten dichten. De hulp werd of direct verstrekt, of georganiseerd via de Verenigde Naties: United Nations Relief and Rehabilitation Administration (UNRRA).

Tussen 1945 en 1947 stelden de Amerikanen ongeveer 4 miljard dollar aan hulp voor Europa en 3 miljard voor de rest van de wereld ter beschikking. Bovendien had Groot-Brittannië al in 1945 een krediet van 5 miljard dollar van de Verenigde Staten en Canada ontvangen. De wederopbouw werd in de overwonnen landen door nog meer factoren bemoeilijkt dan in de andere gebieden die van de oorlog te lijden hadden gehad.

Vooral in Japan en Duitsland was de politiek van de Verenigde Staten en de overige Geallieerden er in het begin op gericht te verhinderen, dat die landen ooit nog weer een oorlog zouden kunnen ontketenen. De overwinnaars voerden daar fundamentele maatschap­pelijke en politieke hervor­mingen in en wilden de economische capaciteit van de overwon­nen landen duurzaam verzwakken. Met die bedoeling werden complete fabrieks­instal­laties gedemonteerd en afgevoerd, om als een vorm van herstelbetaling te dienen. Verder werden productiebeperkingen en -verboden uitgevaardigd, b.v. in de zware industrie, de machine- en scheepsbouw en in de luchtvaartin­dustrie

Aan de bundeling van economische macht in kartels en concerns werd een einde gemaakt. In Japan betrof dat de finan­ciële coterieën van de ZaiBatsu, die het bankwezen en de industrie hadden beheerst; in Duitsland ging het b.v. om de grote banken, de chemiegigant I.G. Farben en de Vereinigte Stahlwerke. Verder werden in Japan de grootgrondbezit­ters in feite onteigend; hetzelfde gebeurde in de door de Sovjetunie bezette zone van Duitsland. Daar werd bovendien de grootindustrie genationali­seerd: het begin van een planeconomie. De westelijke Geallieerden gaven de politiek van productiebeperkingen echter al spoedig op, omdat alleen economische groei in Japan en West-Duitsland zelf de nood in die landen kon lenigen en omdat vooral West-Duitsland met zijn productie van investerings­goederen, steenkool en staal een bijdrage kon leveren aan de wederopbouw van Europa.

Bovendien verschafte de beginnende Koude Oorlog, die in het Westen de vrees voor een verdere verbreiding van het communisme aanwakkerde, de politieke argumenten om extra vaart te zetten achter de wederop­bouw in heel West-Europa en Japan.

In de loop van 1947 hadden de Westeuropese landen, West-Duits­land uitgezonderd, het vooroorlogse productieniveau weer bereikt. De economi­sche opbloei werd direct na de oorlog echter sterk bemoei­lijkt door een aantal knelpunten: de schaarste aan levens­middelen werd in 1947 door een misoogst nog nijpender, de landbouw bleef aan­gewezen op de invoer van kunstmest en de industrie was nog steeds afhankelijk van de import van grondstof­fen, b.v. van katoen voor de textielin­dustrie

Bovendien was er een tekort aan investeringsgoederen, zoals machines die in eigen land nog niet in voldoende mate konden worden gefabriceerd. Als leveran­ciers van al deze producten kwamen voornamelijk landen overzee in aanmerking, vooral in Noord- en Zuid-Amerika. De internationale handel verliep echter maar moeizaam. Een Neder­landse importeur b.v. kon zijn exporteur in het buitenland niet eenvoudig in guldens betalen; die zouden niet zijn geaccepteerd. Hij kon echter net zo min bij de eerste de beste bank zijn guldens in dollars omwis­selen, want een vrij deviezenverkeer bestond in heel Europa nog niet. Bovendien beschikten de afzonderlijke landen niet over voldoende dollar­reserves om met behulp hiervan het ruilverkeer te kunnen effectueren. Dollars zou men eerst met export hebben moeten verdienen, maar daartoe waren de landen nu juist niet in staat.

In Europa heerste kortom een nijpend gebrek aan dollars, d.w.z. aan internationale koopkracht. De uitweg uit dit dilemma bood het naar de toenmalige Amerikaanse minister van buitenlandse zaken genoemde MarshallPlan. Van eind 1947 tot begin 1952 stroomden in het kader van dit hulpprogramma ongeveer 13 miljard dollar als geschenk of in de vorm van kredieten naar West-Europa. Dat was ongeveer 3% van het BBP van de Verenigde Staten. De Europese regeringen stelden deze middelen ter beschikking aan importeurs, die daarvoor de tegenwaarde in de eigen valuta moesten betalen.

Op die manier ontstonden tegen­waarde-fondsen, waaruit wederom kredieten voor binnenlandse wederopbouwprogram­ma's konden worden verleend. Omdat alle kredieten uiteindelijk moesten worden terug­betaald, kon op die manier de wederopbouw meermaals worden ondersteund. De tegen­waarde-fondsen bestaan nog steeds en worden op het ogenblik b.v. door de Duitse Kreditan­stalt für Wiederaufbau gebruikt voor de herstruc­turering van de Oost-Duitse economie

In het eerste jaar van zijn bestaan werd met behulp van het Marshall-plan vooral de dringend noodzakelijke import van voedingsmiddelen, veevoeder en kunstmest gefinancierd. Tot 1952 was voor deze groep producten bijna een derde van de beschik­bare middelen nodig, maar in de loop van de tijd werd de import van grondstoffen, in­vesterings­goederen en brandstoffen belangrijker. Daarmee werd de Europese industrie ondersteund en weer in staat gesteld om te exporteren.

Het is moeilijk te zeggen in welke mate de Marshall-hulp, die ook aan West-Duitsland ten goede kwam, heeft bijgedragen tot het WirtschaftsWunder in de Westeuropese landen. In ieder geval kan men het MarshallPlan niet beschouwen als het wondermiddel dat de economische opbloei zou hebben bewerkstel­ligd. Deze mythe over het MarshallPlan is nog steeds wijd verbreid en wordt door politici tegenwoordig graag gebruikt om een soortgelijk instru­ment voor Oost-Europa te bepleiten.

Alleen al de huidige schuldenproblematiek in de Derde Wereld en ook in sommige Oosteuropese landen, toont echter aan dat een reusachtige transfer van internationale koopkracht alléén geen economische opbloei garandeert. In West-Europa was de situatie na de Tweede Wereld­oorlog veeleer omgekeerd: juist omdat deze landen op eigen kracht al een economische opbloei hadden gerealiseerd, kwam het tot knelpunten in de financiering van de import. Dat neemt natuur­lijk niet weg dat de groei zonder de dollars van de Marshall-hulp zou zijn afgezwakt en vertraagd.
Het MarshallPlan diende, wat de Amerikanen betreft, niet alleen ter versterking van de Westeuropese economie en ter vergroting van de eigen export; ze verbonden er ook vergaande plannen mee voor de eenwording van West-Europa. Er was uitdrukkelijk geen sprake van bilaterale overeenkomsten tussen de Verenigde Staten en afzonder­lijke Europese landen

De hulp werd georganiseerd via de supranationale Organisatie voor Europese Economische Samen­werking OEES. Die bestond sinds 1948 en werd later uitgebreid en omgevormd tot de Organisatie voor Europese Economische Samen­werking en Ontwikkeling OESO. Anders dan gehoopt vormde zij echter niet de grondslag voor de Verenigde Staten van Europa. De Europese eenwording verliep veeleer via blokvorming, die zich op grond van natio­nale, economische en politieke belangen voltrok: Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS, 1952) en haar opvolgers de Europese Economische Gemeenschap (EEG, 1958) resp. Europese Gemeenschap (EG, 1967) oftewel Europese Unie (EU, 1992).
Het economische herstel voltrok zich in de westelijke bezet­tingszones van Duitsland in hoog tempo. Na een dieptepunt in 1947, toen de industriële productie op slechts 40% van het peil van 1936 lag, ging het snel beter. Al in 1950 werd er beduidend meer geproduceerd dan in 1936. Net zoals in veel andere landen konden de distributie en de loon- en prijsbeheersing pas worden afgeschaft, nadat de naoorlogse inflatie was beteugeld. Die was in Duitsland (net als in andere landen) ontstaan als gevolg van de ongebreidelde geldschepping gedurende de oorlog.

De geldzui­vering van 1948 maakte een einde aan de inflatie. Tegelijkertijd was zij de beslissende stap in de verdeling van Duitsland, die tot 1990 zou duren. De geldzuivering van 1948 was het startsein voor een volgens sociaal-liberale (ordoliberale) principes georganiseerde Soziale Marktwirtschaft, die opmerkelijk snel werd gerealiseerd zonder de dirigistische maatregelen waartoe andere Westeuropese landen hun toevlucht namen. (De door de Sovjetunie bezette zone, vanaf 1949 de DDR, wordt behandeld bij het Oostblok.)

De Japanse wederopbouw begon veel langzamer dan de West-Duitse. Per hoofd van de bevolking bereikte het Japanse bruto nationaal product pas in 1957 weer het vooroorlogse peil. Japan kon niet zoals West-Duitsland (vanaf 1949 de Bondsrepubliek Duitsland, BRD), profiteren van een groeiende afzet in de omringende landen, want de traditionele markten China, Korea en Taiwan hadden zelf met enorme economische en politieke problemen te kampen. Bovendien heeft het democra­tise­ringsprogramma van de Amerikanen de Japanse economie aanvankelijk waarschijnlijk geschaad, omdat het de traditio­nele structuren vernietigde. Net als in West-Duitsland had de Koude Oorlog in Japan een positief effect op de economie. Vanaf 1948 nam de Amerikaanse militaire regering van Japan de wederop­bouw energiek ter hand. In 1948 stabiliseerde ze de waarde van het geld en kreeg de Zaibatsu zijn economische macht weer terug. De door de KoreaanseOorlog zeer sterk gestegen vraag zorgde voor de beslissende doorbraak. Na de wapenstilstand van 1952 stond niets een steeds snellere economische groei nog in de weg. Daarmee waren de beide grote verliezers van de TweedeWereldoor­log weer op weg om industriële grootmachten te worden.
De wederopbouw ging na de TweedeWereldoorlog gepaard met een heroriëntering van de economische politiek of zelfs met een fundamentele verandering van de economische orde. Een spec­taculaire ontwikkeling was daarbij de door de Sovjetunie in haar invloedssfeer afgedwongen invoering van een centraal geleide planeconomie naar stalinistische model. Maar ook in de westerse landen waren er grote groepen, die in bepaalde elementen van de planeconomie en in een nationalisatie van de sleutelindustrieën het model voor de toekomst zagen.

Die opvatting hoeft geen verwonde­ring te wekken bij linkse partijen, zoals b.v. de LabourParty in Groot-Brittan­nië, de communisten in Frankrijk of de sociaal-democratische partij in West-Duitsland. Hun traditionele oriëntatie op de ideeën van Marx speelde daarbij een beslissende rol. Maar zelfs in liberale en conservatieve kring bestond vergaande over­eenstemming dat de overheid actief in de economie moest ingrijpen. Op al deze groepen hadden de ervaringen van de economische wereldcrisis een diepe indruk gemaakt. De ellende van de toenmalige massale werkloosheid had de LaissezFaire-ideologie van het liberale kapitalisme ongeloofwaardig gemaakt. Volgens die ideologie had de staat slechts een functie als "nachtwaker", die er alleen maar voor had te zorgen dat de regels werden nageleefd, maar die de economie verder aan het spel der vrije krachten moest overlaten.

En hadden niet inderdaad de nationaal-socialistische economische politiek en Roosevelts New Deal laten zien dat een vastberaden overheidsingrijpen het probleem van de werkloosheid kon oplossen of tenminste verminderen, terwijl daarentegen b.v. de orthodoxe politiek van het kabinet Colijn had bijgedragen tot de voortdu­rend hoge werkloosheid in Nederland ? Dat de klassieke economische doctrine niet klopte, was naar de mening van vele aanhangers van de markteconomie bovendien door John Maynard KeyNes overtuigend bewezen. Vooral in zijn in 1936 verschenen boek "The General Theory of Employment, Interest and Money" had KeyNes een economische theorie geformuleerd, waarmee schijnbaar dwingend werd verklaard dat markteconomieën bij hoge werkloosheid in een stabiel evenwicht gevangen kunnen zijn. De krachten van de markt zelf kunnen in dat geval volgens KeyNes de depressie niet overwinnen. Volgens hem dient de overheid dan door middel van een programma van conjuncturele stimulering de vraag te doen stijgen, zodat de economie een hoger peil met volledige werkgele­genheid kan bereiken

Tegen de achtergrond van de economische wereldcrisis was zelfs in neoliberale kring de opvatting wijd verbreid, dat op sociaal gebied de elementaire behoeften van de mens niet aan het vrije spel der economische krachten mochten worden overgelaten. Bij de woonruimte b.v. en vooral bij het inkomen zou de overheid door middel van herverdeling en verplich­te verzekeringen voor een sociaal vangnet moeten zorgen, waarin noodgevallen konden worden opgevangen.

Na de oorlog was dus bijna iedereen het erover eens dat er gebroken moest worden met de traditionele liberale opvattingen en dat er een gemengd economisch systeem moest komen. De concrete vorm, die dat systeem kreeg, was in de afzonderlijke landen echter verschillend. De neocollectivistische variant, die in Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië en gedeeltelijk ook in Japan het sterkst was, behelsde een sterk overheidsingrijpen. Zo verwezenlijkte de LabourParty tijdens haar regeringsperiode van 1945 tot 1951 omvangrijke nationalisaties (kolen, staal, spoorwegen, elektriciteit). In het kader van de herverdeling voerde zij sterk progressieve belastingtarieven voor inkomens en erfenissen in, en de begrotingspolitiek was volgens keynesiaanse principes gericht op volledige werkgelegenheid.

Zelfs de Conservatieven, die in 1951 weer aan de macht kwamen, hielden grotendeels aan deze politiek vast en het kwam slechts op weinig gebieden tot een her-privatisering. Anders dan in Frankrijk werd de genationaliseerde sector van de Britse economie overigens niet betrokken bij een planning van de groei op de lange termijn. De variant van het centraal overleg over de economische politiek, die in Nederland, Zweden, Oostenrijk en België de toon aangaf, leidde tot weinig overheidsingrijpen. Zij werd gekenmerkt door centraal overleg over de inkomenspolitiek. In Nederland b.v. werkten werkgevers en werknemers onder streng toezicht van de overheid samen bij de uitvoering van een beleid dat ter wille van de exportbevordering gericht was op een laag loonniveau (Stich­ting van de Arbeid, 1945 en Sociaal-Economische Raad, 1950). Bovendien werd na de oorlog onder leiding van Tinbergen het Centraal Planbureau opgericht.

De neoliberale variant ging nog het meeste uit van de primaire werking van het marktmechanisme. In de Verenigde Staten en in de Bondsrepubliek Duitsland hield men in hoge mate vast aan een orthodoxe begrotingspolitiek. Pas in de jaren zestig vond er een heroriëntatie plaats volgens keynesiaanse principes. Maar ook in de duidelijk neoliberale fase deed zich een zeker interven­tionisme gelden - b.v. op het gebied van het verkeer en de regionale politiek, in de agrarische sector en bij de woningbouw.

In Duitsland was de publieke sector van de economie altijd al groot geweest, en de sociale wetgeving - die haar oorsprong vond in de hervormingen van BisMarck in de vorige eeuw - werd na de oorlog nog verder uitgebreid. Zelfs in het land van de zuivere liberale leer, de Verenigde Staten, had men met de EmploymentAct van 1946 een wet aangenomen, die de volledige werkgelegenheid verhief tot het voornaamste doel van de economische politiek.
Zo traden er tussen de westerse industrielanden weliswaar veel verschillen op, maar van beslissende betekenis is dat zij ondanks alle voorbehoud tegenover het economische liberalisme enerzijds en het vaak voorkomende overheidsingrijpen anderzijds tenslotte toch vasthielden aan de markt als het centrale coördineringsme­chanisme.

Regeringen en CAO-partners beschouwden echter allemaal de volledige werkgelegenheid en de economische groei als de centrale doelstellingen van de economische politiek. Vakbonden, ondernemers en politici waren ervan overtuigd dat zij door hun eigen optreden konden bijdragen aan een verwezenlijking van deze doelstellingen, die niet door onderlinge conflicten over de verdeling van het BBP in gevaar mochten worden gebracht.

Het samenwerkingsmodel van de nationale economische politiek lag ook ten grondslag aan het ontwerp van een nieuwe economische wereldorde. De fouten en de vele onopgeloste problemen uit het interbellum wilde men vermijden: de Duitse herstelbetalingen na de EersteWereldoorlog, de schulden van de Geallieerden onder­ling, de wereldwijde overcapaci­teit in de agrarische sector, een in­stabiel GoudenStandaard als internationaal valutasysteem, de discrepantie tussen de economische kracht van de Verenigde Staten en hun verantwoordelijkheid voor de economische wereldpoli­tiek hadden de verschillende landen destijds tot een antago­nistisch economisch gedrag gebracht.

Vooral door middel van ProtectionismE en DeValuatie van hun munt hadden ze in de jaren dertig gepro­beerd om hun binnenlandse problemen - zoals werkloos­heid en overcapaciteit - ten koste van andere landen op te lossen. Omdat echter alle landen hun toevlucht tot dezelfde middelen hadden genomen, was de wereld­economie terechtgekomen in een vicieuze cirkel, zodat tenslotte iedereen slechter af was.

Ideeën over een op multilateraliteit in plaats van op bilaterali­teit en een bekrompen zelfzuchtigheid berustende economische orde lagen al in 1941 ten grondslag aan het door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië gesloten AtlanticCharter. Voor de naoorlogse periode werd dat ontwerp uitgewerkt op de internationale conferentie in het Amerikaanse BrettonWoods, waar in 1944 de grondslag voor een stabiel internationaal valutasysteem werd gelegd.

In het nieuwe systeem, dat de westerse industrielanden pas aan het einde van de jaren vijftig geheel konden realiseren, speelde de dollar de rol van sleutelvaluta. Hij was aan het goud gekoppeld, terwijl de waarde van de andere valuta's in een vaste verhouding tot die van de dollar stond. Onderling waren alle valuta's vrij inwisselbaar zonder deviezen­controle of andere beperkingen

De centrale banken - maar niet particulieren - kon­den desgewenst vorderingen in dollars tegen een vaste koers inwis­selen voor goud. Door die garantie kreeg de dollar ongeveer dezelfde functie als het Britse pond voor de EersteWereldoorlog. De dollar was goud waard en deed dienst als internationaal betaalmiddel en als de door iedere centrale bank geac­cepteerde garantievaluta. De toverformule luidde: dollar = goud = stabiel betalings- en beleggingsmiddel overal ter wereld.

De Verenigde Staten, de sterkste economische macht ter wereld met schijnbaar onuitput­telijke goudvoor­raden in FortKnox, namen door de bijzondere positie van hun valuta de centrale verantwoordelijk­heid op zich voor het mondiale valuta­systeem. Hun privilege was dat ze met een valuta konden betalen, die door iedereen werd geaccep­teerd - in ieder geval zolang men vertrouwen had in de belofte dat de dollar ook inderdaad tegen goud inwisselbaar was. Daarbij was het voor de Verenigde Staten nadelig, dat ze iedere speel­ruimte op het gebied van de monetaire politiek opgaven.

Ter wille van de geloofwaardigheid van de dollar als sleutelvaluta mochten ze hun goudpariteit niet verande­ren. Ook de wisselkoersen met de andere valuta's moesten in beginsel vast blijven. Alleen bij een fundamentele onevenwich­tigheid van de betalingsba­lans was het toegestaan de pariteit van een valuta ten opzichte van de dollar te veranderen. Om het systeem ook op de lange duur te kunnen laten functioneren moest dat ook wel gebeuren, wanneer de omstandigheden dat vereisten. Een land dat voortdurend meer exporteerde dan importeerde en zodoende steeds meer vorderingen in andere valuta's kreeg (die zoals gezegd in dollars of goud omgewisseld konden worden), was eigenlijk verplicht om zijn valuta ten opzichte van de dollar te revalu­eren. Zodoende maakte het zijn export duurder en minder aantrek­kelijk. Omgekeerd gold hetzelfde voor landen met voortdurende importoverschotten: zij moesten hun valuta ten opzichte van de dollar in waarde laten dalen.

Bij vaste wis­selkoersen kan een internationaal valutasys­teem alleen maar functioneren, wanneer de import van ieder land in beginsel even groot is als de export. Dat hoeft niet bilateraal het geval te zijn maar wel multilateraal. Economisch gezien is die eis zinvol, omdat tenslotte ieder land slechts dan bereid kan zijn goederen en diensten aan andere landen te leveren, wanneer het daarvoor een adequate tegenpres­tatie ontvangt. Voortdurende exportover­schotten zijn namelijk eigenlijk niets anders dan geschenken aan andere landen, waar slechts papieren vorderingen tegenover staan.

In het systeem van BrettonWoods was overigens wel een beveili­ging ingebouwd om het hoofd te kunnen bieden aan incidentele betalings­pro­blemen van een bepaald land. Met het InternationaleMonetaireFonds (IMF) stichtte men een soort centrale wereldbank. Het moest landen die tijdelijk hun in- en uitvoer niet in evenwicht konden brengen of die hun pariteit vanwege speculatieve kapitaal­transfers niet meer met eigen middelen konden verdedigen, kredieten verschaffen, vooral in dollars.

Dit IMF moest er ook over waken, dat de regels van het internationale monetaire systeem in acht werden genomen; verder moest het worden geconsul­teerd bij besluiten tot re- of DeValuatie. Naast het IMF werd een instituut voor langlopende investeringskredieten in het leven geroepen. Die Internatio­nal Bank for Reconstruction and Develop­ment, beter bekend als de WereldBank, was aanvankelijk bedoeld voor de kredietverlening aan landen die van de oorlog te lijden hadden gehad. Sinds lang is zijn belangrijkste taak echter de bevorde­ring van projecten in ontwikkelingslanden. De WereldBank verbindt aan haar hulp vaak strenge economische verplichtingen. De invloed van het IMF en de WereldBank was in de eerste tijd na hun stichting in 1946 echter nog beperkt.

De conferentie van BrettonWoods voorzag ook in de oprichting van een internationale organisatie die de wereldhandel moest reorganiseren, met als doel een vrij verkeer van goederen en diensten, ongehinderd door discriminerende handelsbelemmeringen. Deze Internationale Handelsorganisatie (InternationalTradeOrganisation, ITO) kwam er echter niet, en ook latere conferen­ties slaagden er niet in het ambitieuze doel van een wereldomvat­tende vrijhandel te bereiken

In 1947 werd in Genève slechts een overeenkomst ondertekend over douanetarie­ven en handel, de GeneralAgreementOnTariffsAndTrade (GATT). De deelnemende landen verplichtten zich tot meestbe­gunstiging (non-discrimina­tie), tot verlaging van de douanetarie­ven, tot afschaffing van kwan­titatieve importbeperkingen en tot wederzijds overleg bij veranderingen in hun handelspolitiek. Het ideaal van vrijhandel werd dus niet verwezenlijkt, maar de GATT ontwikkelde zich sindsdien wel tot het belangrijkste forum voor politieke onderhan­delingen op het gebied van de wereldhandel.

Other pages containing these years:
   1936:
../BaC1/DePreciatie
..C1/FremdLing_1-11
..S_ChapteR1UitgebR
../VanAgrar_279-289
../BaC1/PalMer_P102
../BaC1/PalMer_P104
../BaC1/PalMer_P105
..C2/LaVaKl_Deel3H8
RuG/GescH/BaC2/NSB
..heWorldS_ChapteR3
../BaC3/CollingWood
ForuM/PanIiP
..Sofie/BaC1/SartrE
   1941:
..1/AtlanticCharter
..1/BattleOfBritain
..BaC1/BolsjeWieken
..aC1/GrandAlliance
..GescH/BaC1/JapPen
../GescH/BaC1/NaziS
../BaC1/PearlHarbor
..G/GescH/BaC1/ToJo
..weedeWereldoorlog
..heWorldS_ChapteR1
..S_ChapteR1UitgebR
..nEnGebeurtenissen
../BaC1/PalMer_P106
../BaC1/PalMer_P108
..2/NederlandseUnie
..2/LaVaKl_Deel3H11
..2/LaVaKl_Deel3H12
..H/BaC2/JoodseRaad
..ialeGs_HoofdStuk5
..heWorldS_ChapteR3
../BaC3/CollingWood
..Sofie/BaC1/SartrE
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1944:
..1/AtlanticCharter
..BaC1/BrettonWoods
..scH/BaC1/DeGaulle
..cH/BaC1/MacArthur
..C1/MorgenthauPlan
..cH/BaC1/RooseVelt
..escH/BaC1/TeHeran
..weedeWereldoorlog
../GescH/BaC1/YanKs
..lingCollege72kern
..heWorldS_ChapteR1
..S_ChapteR1UitgebR
..nEnGebeurtenissen
../BaC1/PalMer_P107
..heWorldS_ChapteR2
..2/LaVaKl_Deel3H11
..2/LaVaKl_Deel3H12
..eWorldS_ChapteR11
..heWorldS_ChapteR7
..Sofie/BaC1/SartrE
   1945:
..aC1/BumaOffensief
..C1/BurmaOffensief
..scH/BaC1/HiroHito
..cH/BaC1/HiroShima
..GescH/BaC1/HitLer
../GescH/BaC1/JalTa
..GescH/BaC1/JapPen
../BaC1/KoudeOorlog
..scH/BaC1/NagaSaki
..GescH/BaC1/NasSer
../NeoCollectivisme
..escH/BaC1/Potsdam
..cH/BaC1/RooseVelt
..GescH/BaC1/TruMan
..weedeWereldoorlog
..Ling_1. Inleiding
..C1/FremdLing_1-11
..1/HCEigentG_week2
..oefTentamenVadney
..heWorldS_ChapteR1
..S_ChapteR1UitgebR
..nEnGebeurtenissen
../VanAgrar_345-384
..1/WCEigentG_week2
..1/WCEigentG_week3
../BaC1/PalMer_P107
..G_ArtikelNapoleon
..heWorldS_ChapteR5
..heWorldS_ChapteR2
..GescH/BaC2/LaVaKl
RuG/GescH/BaC1/HiP
RuG/GescH/BaC2/NVB
..2/LaVaKl_Deel3H11
RuG/GescH/BaC2/CPB
RuG/GescH/BaC2/EVC
..2/LaVaKl_Deel3H13
..G/GescH/BaC2/PVDA
..C2/LaVaKl_Deel4H4
..C2/LaVaKl_Deel4H5
..C2/LaVaKl_Deel4H7
..heWorldS_ChapteR3
..eWorldS_ChapteR12
../BaC3/CollingWood
..dS_ChpterRUitgebr
..heWorldS_ChapteR7
..dGs_TentamenDeel2
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1946:
..C1/FremdLing_1-11
..nEnGebeurtenissen
..heWorldS_ChapteR5
..heWorldS_ChapteR4
..heWorldS_ChapteR2
../BaC2/LingGadjati
..2/LaVaKl_Deel3H13
..heWorldS_ChapteR3
..heWorldS_ChapteR7
../BaC3/CollingWood
..cH/BaC3/KVExisTnt
..fie/BaC1/FouCault
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1947:
..GescH/BaC1/BiZone
..G/GescH/BaC1/GATT
..BaC1/MarshallPlan
..C1/FremdLing_1-11
..lingCollege72kern
..SuezCrisis_EuropA
..nEnGebeurtenissen
..1/WCEigentG_week3
..heWorldS_ChapteR4
..heWorldS_ChapteR2
..2/LaVaKl_Deel3H13
..C2/LaVaKl_Deel4H1
..C2/LaVaKl_Deel4H2
..heWorldS_ChapteR3
..heWorldS_ChapteR7
..dS_ChpterRUitgebr
..ittgenStein_Leven
   1948:
..BloedigeJuniDagen
..H/BaC1/FransJosef
..GescH/BaC1/IsraeL
../BaC1/KoudeOorlog
..cH/BaC1/LuchtBrug
..GescH/BaC1/NasSer
..G/GescH/BaC1/OEES
..escH/BaC1/TriZone
..unistische wereld
..C1/FremdLing_1-11
..lingCollege72kern
..1/HCEigentG_week2
..isis_MiddenOosten
..oefTentamenVadney
..nEnGebeurtenissen
..1/WCEigentG_week3
..heWorldS_ChapteR5
..heWorldS_ChapteR4
..heWorldS_ChapteR2
..2/LaVaKl_Deel3H13
..2/LaVaKl_Deel3H14
..C2/LaVaKl_Deel4H2
../GescH/BaC2/DreeS
RuG/GescH/BaC2/VVD
..C2/LaVaKl_Deel4H3
..C2/LaVaKl_Deel4H5
..heWorldS_ChapteR3
..eWorldS_ChapteR10
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1949:
..cH/BaC1/LuchtBrug
..GescH/BaC1/NasSer
..een markteconomie
..unistische wereld
..lingCollege90kern
..1/HCEigentG_week2
..nEnGebeurtenissen
..1/WCEigentG_week3
../BaC1/PalMer_P102
..heWorldS_ChapteR4
..heWorldS_ChapteR5
..heWorldS_ChapteR2
..GescH/BaC2/LaVaKl
..2/LaVaKl_Deel3H13
..C2/LaVaKl_Deel4H2
..G/GescH/BaC1/NAVO
..BaC2/SimonKuznets
..ialeGs_HoofdStuk5
..heWorldS_ChapteR3
..heWorldS_ChapteR9
..Sofie/BaC1/SartrE
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1950:
../BaC1/KoudeOorlog
../VerzorgingsStaat
..Ling_1. Inleiding
..oorlogse expansie
..een markteconomie
..unistische wereld
..1 Latijns Amerika
..Ling_3.3.2 Afrika
..mdLing_3.3.3 Azië
..mdLing_4.3.3 Azië
..C1/FremdLing_1-11
..remdLing_1-11kern
..lingCollege90kern
..nEnGebeurtenissen
..1/WCEigentG_week3
..heWorldS_ChapteR5
..heWorldS_ChapteR4
..heWorldS_ChapteR2
..ialeGs_HoofdStuk2
..C2/LaVaKl_Deel2H3
..2/LaVaKl_Deel3H13
..C2/LaVaKl_Deel4H2
..C2/LaVaKl_Deel4H4
..aleGs_HoofdStuk3a
..heWorldS_ChapteR3
..heWorldS_ChapteR6
..dS_ChpterRUitgebr
..dS_ChapteRUitgebr
..eWorldS_ChapteR12
..e/BaC1/TuringTest
   1951:
../NeoCollectivisme
..C1/FremdLing_1-11
..SuezCrisis_EuropA
..nEnGebeurtenissen
..heWorldS_ChapteR2
..heWorldS_ChapteR9
..heWorldS_ChapteR7
..heWorldS_ChapteR6
..dS_ChpterRUitgebr
..dS_ChapteRUitgebr
..eWorldS_ChapteR12
..ittgenStein_Leven
..BaC1/WittGenstein
..calInvestigations
..fie/BaC1/FouCault
   1952:
..G/GescH/BaC1/EGKS
..H/BaC1/EisenHower
..BaC1/MarshallPlan
..GescH/BaC1/NasSer
..een markteconomie
..C1/FremdLing_1-11
..lingCollege72kern
..lingCollege90kern
..eWorldS_ChapteR11
..nEnGebeurtenissen
..heWorldS_ChapteR2
..C2/LaVaKl_Deel4H3
..heWorldS_ChapteR7
..dS_ChpterRUitgebr
..C3/HitTC_ChapteR8
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
..boWiersma/HistorY
   1957:
..scH/BaC1/SpoetNik
..mdLing_3.3.3 Azië
..C1/FremdLing_1-11
..nEnGebeurtenissen
..heWorldS_ChapteR4
..heWorldS_ChapteR5
..C2/LaVaKl_Deel4H5
..2/LaVaKl_Deel4H11
..2/LaVaKl_Deel4H14
..heWorldS_ChapteR3
..eWorldS_ChapteR12
   1958:
..roetsjovUltimatum
RuG/GescH/BaC1/EEG
..GescH/BaC1/NasSer
..een markteconomie
..unistische wereld
..C1/FremdLing_1-11
..lingCollege90kern
..1/HCEigentG_week2
..nEnGebeurtenissen
..heWorldS_ChapteR4
..heWorldS_ChapteR5
..C2/LaVaKl_Deel4H2
../GescH/BaC2/DreeS
..C2/LaVaKl_Deel4H3
..C2/LaVaKl_Deel4H6
..2/LaVaKl_Deel4H10
..2/LaVaKl_Deel4H14
..C2/RevStaart_H4P5
..TheorieI_HoorCol5
..eWorldS_ChapteR11
..heWorldS_ChapteR9
..heWorldS_ChapteR7
..heWorldS_ChapteR6
..dS_ChpterRUitgebr
..dS_ChapteRUitgebr
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1967:
..GescH/BaC1/NasSer
..een markteconomie
..C1/FremdLing_1-11
..isis_MiddenOosten
..oefTentamenVadney
..eWorldS_ChapteR11
..nEnGebeurtenissen
..C2/LaVaKl_Deel4H3
..aC2/ProvoBeweging
..2/LaVaKl_Deel4H10
..heWorldS_ChapteR8
..eWorldS_ChapteR10
ForuM/RudolfDeJong
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1990:
../GescH/BaC1/JalTa
..Ling_1. Inleiding
.._4.2 Het Oostblok
..ing_4.3.2. Afrika
..mdLing_4.3.3 Azië
..C1/FremdLing_1-11
..remdLing_1-11kern
..heWorldS_ChapteR1
..nEnGebeurtenissen
..heWorldS_ChapteR5
..GescH/BaC2/LaVaKl
..2/LaVaKl_Deel4H14
..2/LaVaKl_Deel4H15
..C2/RevStaart_H6P2
..aleGs_HoofdStuk2a
..eWorldS_ChapteR12
..eWorldS_ChapteR11
..heWorldS_ChapteR9
..3/HitTC_ChapteR11
   1992:
..C1/FremdLing_1-11
..nEnGebeurtenissen
..2/LaVaKl_Deel4H15
..eWorldS_ChapteR12
..eWorldS_ChapteR11

Part of the LogiLogi Network: The LogiLogi Foundation - LogiLogi.org - OgOg.org
This is an old version for archival purposes, see www.LogiLogi.org for the current version.
< Edit this document | View history | Printer friendly (inc. links) >
Visited 3254 times
Document last modified Sun, 12 Oct 2003 01:40:38
All content is available under the GNU Free Documentation License. The LogiLogi-system is under the GPL
SourceForge.net Logo Zylon Internet Services-Groningen Logo
Visitor statistics