Fremd Ling_3.1 De industrielanden met een markteconomie


Tussen 1950 en 1973 is er wereldwijd sprake van een sterke economische expansie, die zijn weerga in de geschiedenis niet kent.

In de belangrijkste westerse landen (West-Europa, de Verenigde Staten, Canada, Australië) en Japan groeide het BBP per hoofd van de bevolking jaarlijks met percentages van gemiddeld 3,8%. De kapitalistische landen in de periferie van Europa bereikten, uitgaande van een lager aanvangsniveau, 5%. Tussen de diverse landen traden echter duidelijke verschillen op. Spec­taculair kunnen de groeipercentages in Japan worden genoemd (8%), maar ook de Bondsrepubliek Duitsland (4,9%) en Italië (4,8%) beleefden hun WirtschaftsWunder.

Een niet meer dan gemiddelde groei haalden Frankrijk (3,8%) en Nederland (3,5%), terwijl de economieën van de Verenigde Staten (2,2%) en Groot-Brittannië (2,5%) nu minder snel expandeerden. Japan en met name ook de landen van het Europese continent konden dientengevolge hun achterstand ten opzichte van de Verenigde Staten verkleinen.

Ondanks de verschillen tussen de afzonderlijke landen mogen we echter niet over het hoofd zien dat alle westerse landen tussen 1950 en 1973 een zeer sterke economische groei doormaakten, zowel in ver­gelijking met de periode ervoor als de tijd erna. Hoe is deze expansie in het algemeen en voor de afzonderlijke groepen van landen apart te verkla­ren?

De maatregelen die de naoorlogse koers moesten bepalen, zijn in het voorafgaande reeds beschreven. Omdat ze op samenwerking geba­seerd waren, schiepen ze zowel voor de binnenlandse economie­ën als voor de internationale economische betrekkingen randvoor­waar­den die gunstig waren voor de economische groei. Op een reeks GATT-conferenties in de jaren vijftig en zestig werden de internationale handelsbelemmeringen steeds verder verminderd. In West-Europa waren bovendien door de samenwerking bij de verdeling van de Marshall-hulp OEES diverse handelsbeperkingen verkleind.

Maar tot 1958 waren de westerse landen er nog niet in geslaagd om de valutaovereenkomst van BrettonWoods te realiseren. Tot dan kon de internationale handel zich dus nog niet vrij van valuta­barrières ontplooien.

Het gecompliceerde systeem van deviezen­controles, bilaterale verrekeningsovereenkomsten en scheve wisselkoersen tussen de verschillende landen werd met name door twee maatregelen belangrijk vereenvoudigd. De eerste hield in dat de koersen ten opzichte van elkaar en van de dollar in een realistische verhouding werden gebracht.

Daarvoor devalueerden eind 1949 bijna alle Westeuropese en vele niet-Europese landen hun valuta's met verschillende percentages ten opzichte van de tot dan toe ondergewaardeerde dollar. De tweede maatregel was de stichting in 1950 van de Europese Betalings-Unie (EBU) in het kader van de OEES. Aan dit West­europese multi­laterale ver­rekeningssysteem namen ook Groot-Brittannië en indirect de landen van het Britse Gemenebest deel.

Bovendien waren tegelijkertijd ook alle koloniale gebieden erbij betrokken, omdat zij de valuta's van hun respectievelijke Europese koloniale mogendheden als garantievaluta en als internationaal betaalmiddel gebruikten. Tussen 1950 en 1958 werd het betalingsverkeer steeds verder geliberaliseerd. Toen de Westeuropeanen tenslotte genoeg valutareserves hadden vergaard (dollars en goud), kon de EBU eind 1958 worden opgeheven.

Een multilateraal betalingsverkeer in combinatie met een algemene convertibiliteit tegen vaste wisselkoersen vergemak­kelijkte het verkeer van goederen in grote delen van de wereld. Daardoor groeiden de handel en dus ook de internationale arbeidsdeling enorm. Gemeten aan de export nam het handelsvolume van de westerse landen tussen 1950 en 1973 jaarlijks met bijna 9% toe. Die toename is aanzienlijk hoger dan de ook reeds sterke groei van de productie. Dat wijst erop, dat de internationale economi­sche betrekkingen steeds nauwer waren geworden.

Bij een ver­gelijking valt het op dat in deze periode Groot-Brittannië, eens de grootste handelsnatie, met een groei van de export van 3,9% in de groep van westerse landen op de laatste plaats stond. Dat het ook wat de economische groei betreft achterbleef, is zeker mede te wijten aan de late toetreding tot de Europese Gemeenschap (EG) in 1972. Met uitzonde­ring van Frankrijk (8,2%), boekten daarentegen de landen die de Europese Economische Gemeenschap (EEG, vanaf 1967 EG) hadden gesticht, in de buitenlandse handel groeiper­centages die ver boven het gemid­delde en gedeeltelijk zelfs boven de tien procent lagen (BRD 12,4%; Italië 11,7%; Nederland 10,3%).

De EuropeseEconomischeGemeenschap werd in 1958 gesticht. Ze ontstond uit de EuropeseGemeenschapVoorKolenEnStaal EGKS, die bestond van 1952 tot 1958. Niet zelden worden deze beide samenwerkingsverbanden beschreven als het resultaat van een idealistische Europese geestdrift en als realisering van de door de Amerikanen gesmede plannen voor de Verenigde Staten van Europa. Maar het is realistischer om hun stichting te beschouwen als het resultaat van de politieke en economische belangen van nationale staten.

Voor de Bondsrepubliek betekende de EGKS het einde van de internationale controle over de industrie in het Ruhrgebied en een vergroting van de eigen soevereiniteit, waardoor ze als gelijkwaardige partner werd erkend. Frankrijk zag in de EGKS een middel om de Bondsrepubliek aan haar westerburen te binden.

Tegelijkertijd verkreeg het door de onbelemmerde handel in kolen en staal toegang tot de strategische hulpbronnen aan de Ruhr. Nederland zag de in economisch opzicht opkomende Bondsrepubliek toch al voornamelijk als afzetmarkt voor zijn exportproducten. En die markt moest toegankelijk blijven.

Met de EGKS ontstond vooral in Brussel een supranationaal ambtenarenapparaat, dat door de EEG nog zou worden uitgebreid. De hoofddoelstelling van de EEG was de totstandbrenging van een interne markt zonder nationale barrières, met een vrij verkeer van goederen en diensten en afgeschermd tegen niet leden door gemeenschappelijke douaneta­rieven en andere invoer­beperkin­gen.

Dat doel is nog steeds niet volledig bereikt. Het is duidelijk dat de EEG de economie in de lidstaten krachtig stimuleerde. Zij werd in de loop van de tijd zo aantrekkelijk, dat intussen nog zes landen tot de oorspronkelijke gemeenschap van de zes zijn toegetreden. Daarnaast zijn Oostenrijk, Zweden, Finland en Noorwegen vanaf 1995 als lidstaten geaccepteerd. Andere landen (met name in Oosteuropa, bijvoorbeeld Polen) willen die lidmaatschap van de EU aanvragen. Bij de nieuwe leden behoren ook de landen, die onder leiding van Groot-Brittannië in 1960 de EuropeseVrijhandelsAssociatie (EVA) hadden opgericht als alternatief voor de EEG.

In tegenstelling tot de tolunie van de EEG had deze vrijhandelszone uitsluitend betrekking op industrieproducten en kende ze geen uniforme douanetarieven voor buitenstaanders. In contrast daarmee vormde de gemeen­schappelijke ­markt voor landbouwproducten lange tijd de kern van de EEG.

De landbouw werd door protectionistische douanetarie­ven en andere maatregelen afge­schermd tegen ongewenste invloeden van de wereldmarkt. Intern zorgde een systeem van gegarandeerde minimumprijzen en afzetgaranties na enige tijd voor een enorme overproductie. Uiteindelijk was te voorzien dat dit systeem vanwege de onvoorspel­bare financiële lasten politiek niet meer acceptabel zou zijn.

De EU-begroting wordt nog steeds (1994) voor bijna de helft door landbouw opgeslokt. Zoals nu al bij de melk gebeurt, zal in de toekomst ook de productie van andere landbouwproducten door quotering of verlaging van de interventieprijzen moeten worden beperkt. Recente rapporten voor de EU gaan nog verder: Zo wordt aanbevolen om elke vorm van prijssteun en subsidie, maar ook van opgelegde quota's en braakleggingen op te geven.

Alleen een directe inkomenssteun aan boeren op nationaal niveau zou nog wel zijn toegestaan. De overproductie heeft echter niet alleen binnen de Gemeenschap gevolgen, ze werkt door de hoge exportsubsidies ook zeer verstorend op het aanbod en de prijsvor­ming op de wereld­markt. Het aandeel van de EG in de wereldexport van agrarische producten steeg van 24% in 1970 naar 36% in 1988.

Het ligt daarmee nog maar net onder het aandeel (38%) van de traditionele exporteurs van landbouwproducten in Noord- en Zuid-Amerika, Oceanië en in delen van Azië (Cairns-groep). Deze traditionele exporteurs, zoals b.v. de Verenigde Staten, verliezen door de exportdumping van de EU hun markten, en vele ontwikkelingslanden verwaarlozen hun landbouw omdat import goedkoper is dan de eigen productie.

In het kader van de Urugay-ronde van de GATT, die sinds 1986 aan de gang is, is de landbouw­politiek van de EU dan ook zwaar onder druk komen te staan, vooral van Amerikaanse kant. Een van de GATT-overeenkomsten is derhalve, dat exportsubsidies op landbouwproducten niet meer zijn toegestaan.

Zo wreekt zich nog steeds dat de EU, ondanks alle voordelen die ze aan haar leden te bieden heeft, van meet af aan niet heeft gepast in de grotere conceptie van een wereldwijde multilaterale handel met een zo vrij mogelijk verkeer van goederen en diensten.

Doordat een aantal landen zich in de EEG verenigden, plaatsten zij zichzelf in een voordelige positie met als gevolg dat hun economieën nog sneller gingen groeien.

Voor de verschillen in de groeipercentages tussen de westerse industrie­landen kunnen daarnaast echter ook nog andere oorzaken worden genoemd. Zo wordt met name ter verklaring van de langza­mere groei van de Verenigde Staten in vergelijking met de snelle expansie van bijna alle andere westerse industrielanden de inhaalhypothese (catching-up) aangevoerd. Die hypothese gaat uit van de volgende overwegingen: een lang aanhoudende economische groei met een stijgend inkomen per hoofd van de bevolking wordt in de hoogontwikkelde economieën niet in de eerste plaats veroorzaakt door het feit dat er meer mensen werken, dat er meer fabrieken van het reeds bestaande type komen of dat er meer land wordt gebruikt.

Veeleer zijn op de lange termijn technische vooruitgang of innovaties beslissend, zodat de aanwezige arbeidskracht productiever kan worden ingezet. De inhaalhypothese nu gaat ervan uit dat het op economisch gebied meest ontwikkelde land zich aan een technologische grens bevindt, die door de technische vooruitgang slechts met moeite kan worden verschoven. Dat was precies van toepassing op de Verenigde Staten.

Andere landen konden daarentegen de innovaties van het meest ontwikkelde land overnemen en op die manier hun achterstand verkleinen. Omdat een groot deel van de nieuwe technologie gerealiseerd wordt in kapitaalgoederen zoals betere machines, moeten de inhalers grote investeringen doen. Maar de prikkel daartoe is sterk, omdat het verst ontwikkelde land immers heeft bewezen dat de investeringen de moeite waard zijn. En inderdaad omvatten bij de "achtervolgers" tussen 1950 en 1973 de productiesectoren die niet ten dienste stonden van de consumptie maar van de investerin­gen, een groter deel dan ooit tevoren in de ge­schiede­nis; een groter deel ook dan in de Verenigde Staten.

Naast investeringen in kapitaalgoederen zijn ook investerin­gen in de scholing van mensen (human capital) noodzakelijk, want beter geschoolde arbeidskrachten zijn productiever inzetbaar. Uit de tabellen 3 en 4 blijkt duidelijk dat het BBP per hoofd van de bevolking en het opleidingsniveau een sterke samenhang vertonen. Nu was er in de door de oorlog verwoeste westerse landen al generaties lang sprake van een hoog opleidingsniveau. Voor het feit dat het juist deze landen lukte om weer snel een economische groei te realiseren wordt als derde factor - dus naast de blokvorming en de inhaalhypothese - de reconstructiehypothese gebruikt.

Volgens die hypothese hangt de groei van een economie op de lange termijn af van de verhoging van het opleidingsniveau (human capital). Een groei van de kapitaalgoederenvoorraad die de toename van het opleidingsniveau overtreft, kan de economische groei op de lange termijn normaliter niet extra stimuleren. In perioden van wederop­bouw is dat echter anders

Na oorlogen b.v. ligt het ontwikkelingspeil van de arbeidskrachten ver boven het peil van de door verwoestingen en uitgebleven investeringen verkleinde hoeveelheid kapitaal. Vanwege deze discrepantie kon door uitbreiding van de investerin­gen in kapitaalgoederen gedurende een reeks van jaren de groei van het BBP in Japan en Europa aanzienlijk worden verhoogd. Daar kwam voor Japan en vooral voor de Bondsrepubliek nog bij dat hoogge­kwalificeerde arbeidskrachten uit de buurlanden (resp. uit Korea en de gebieden ten Oosten van de Oder/Neiße) in groten getale naar de landen met een expanderende economie trokken.

Tot de bouw van de muur in 1961 was er bovendien sprake van een constante stroom goed opgeleide mensen uit de DDR naar de Bondsrepubliek. Door deze bevolkingsbewegingen steeg het aantal inwoners van de Bondsrepubliek met ongeveer 13 miljoen. Het einde van de periode van wederopbouw werd in de Bondsrepubliek bereikt in het begin van de jaren zestig, toen een nagenoeg volledige werkgelegenheid een einde maakte aan een verdere groei volgens dit patroon.

In de jaren zestig werden arbeidskrachten in West-Europa in het algemeen schaars. Het probleem werd opgelost door de komst van gastarbeiders uit de voormalige koloniën en met name uit de Europese randgebieden. In het begin hoorde daar ook Zuid-Italië bij, later vooral Turkije. Op die manier expandeerde de economie in de jaren zestig nog steeds verder, hoewel tegen het einde ervan de spanningen tussen de CAO-partners al steeds groter werden, een teken dat de overlegstructuur langzaam van binnenuit werd uitgehold. Tot dan toe had die structuur ervoor gezorgd, dat de loonsverhogingen binnen de perken waren gebleven en de stijging van de productiviteit niet overtroffen, zodat de winsten en dus ook de investeringsruimte van de ondernemingen niet werden aangetast.

Other pages containing these years:
   1949:
..cH/BaC1/LuchtBrug
..GescH/BaC1/NasSer
.. en koersbepaling
..unistische wereld
..lingCollege90kern
..1/HCEigentG_week2
..nEnGebeurtenissen
..1/WCEigentG_week3
../BaC1/PalMer_P102
..heWorldS_ChapteR4
..heWorldS_ChapteR5
..heWorldS_ChapteR2
..GescH/BaC2/LaVaKl
..2/LaVaKl_Deel3H13
..C2/LaVaKl_Deel4H2
..G/GescH/BaC1/NAVO
..BaC2/SimonKuznets
..ialeGs_HoofdStuk5
..heWorldS_ChapteR3
..heWorldS_ChapteR9
..Sofie/BaC1/SartrE
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1950:
../BaC1/KoudeOorlog
../VerzorgingsStaat
..Ling_1. Inleiding
.. en koersbepaling
..oorlogse expansie
..unistische wereld
..1 Latijns Amerika
..Ling_3.3.2 Afrika
..mdLing_3.3.3 Azië
..mdLing_4.3.3 Azië
..C1/FremdLing_1-11
..remdLing_1-11kern
..lingCollege90kern
..nEnGebeurtenissen
..1/WCEigentG_week3
..heWorldS_ChapteR5
..heWorldS_ChapteR4
..heWorldS_ChapteR2
..ialeGs_HoofdStuk2
..C2/LaVaKl_Deel2H3
..2/LaVaKl_Deel3H13
..C2/LaVaKl_Deel4H2
..C2/LaVaKl_Deel4H4
..aleGs_HoofdStuk3a
..heWorldS_ChapteR3
..heWorldS_ChapteR6
..dS_ChpterRUitgebr
..dS_ChapteRUitgebr
..eWorldS_ChapteR12
..e/BaC1/TuringTest
   1952:
..G/GescH/BaC1/EGKS
..H/BaC1/EisenHower
..BaC1/MarshallPlan
..GescH/BaC1/NasSer
.. en koersbepaling
..C1/FremdLing_1-11
..lingCollege72kern
..lingCollege90kern
..eWorldS_ChapteR11
..nEnGebeurtenissen
..heWorldS_ChapteR2
..C2/LaVaKl_Deel4H3
..heWorldS_ChapteR7
..dS_ChpterRUitgebr
..C3/HitTC_ChapteR8
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
..boWiersma/HistorY
   1958:
..roetsjovUltimatum
RuG/GescH/BaC1/EEG
..GescH/BaC1/NasSer
.. en koersbepaling
..unistische wereld
..C1/FremdLing_1-11
..lingCollege90kern
..1/HCEigentG_week2
..nEnGebeurtenissen
..heWorldS_ChapteR4
..heWorldS_ChapteR5
..C2/LaVaKl_Deel4H2
../GescH/BaC2/DreeS
..C2/LaVaKl_Deel4H3
..C2/LaVaKl_Deel4H6
..2/LaVaKl_Deel4H10
..2/LaVaKl_Deel4H14
..C2/RevStaart_H4P5
..TheorieI_HoorCol5
..eWorldS_ChapteR11
..heWorldS_ChapteR9
..heWorldS_ChapteR7
..heWorldS_ChapteR6
..dS_ChpterRUitgebr
..dS_ChapteRUitgebr
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1960:
..H/BaC1/VerZuiling
..unistische wereld
..1 Latijns Amerika
.. neergang na 1973
..lingCollege72kern
..lingCollege90kern
..1/HCEigentG_week2
..nEnGebeurtenissen
..heWorldS_ChapteR5
RuG/GescH/BaC1/HiP
..ialeGs_HoofdStuk2
..rafischeTransitie
..C2/LaVaKl_Deel4H2
..C2/LaVaKl_Deel4H6
..C2/LaVaKl_Deel4H7
..C2/LaVaKl_Deel4H8
..C2/LaVaKl_Deel4H9
..aleGs_HoofdStuk2a
..aleGs_HoofdStuk3a
..C2/RevStaart_H4P3
..C2/RevStaart_H4P8
..heWorldS_ChapteR3
..heWorldS_ChapteR9
..heWorldS_ChapteR8
..heWorldS_ChapteR6
..dS_ChapteRUitgebr
..eWorldS_ChapteR12
..Sofie/BaC1/SartrE
   1961:
..aC1/BerlijnseMuur
..BouwBerlijnseMuur
..H/BaC1/EisenHower
../BaC1/KoudeOorlog
..GescH/BaC1/NasSer
..unistische wereld
..1 Latijns Amerika
..anden van de OESO
.._4.2 Het Oostblok
..lingCollege90kern
..1/HCEigentG_week2
..nEnGebeurtenissen
..heWorldS_ChapteR5
RuG/GescH/BaC1/HiP
..C2/LaVaKl_Deel4H2
..heWorldS_ChapteR8
..eWorldS_ChapteR12
..fie/BaC1/FouCault
   1967:
..GescH/BaC1/NasSer
.. en koersbepaling
..C1/FremdLing_1-11
..isis_MiddenOosten
..oefTentamenVadney
..eWorldS_ChapteR11
..nEnGebeurtenissen
..C2/LaVaKl_Deel4H3
..aC2/ProvoBeweging
..2/LaVaKl_Deel4H10
..heWorldS_ChapteR8
..eWorldS_ChapteR10
ForuM/RudolfDeJong
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1970:
..1 Latijns Amerika
..mdLing_3.3.3 Azië
..anden van de OESO
..eWorldS_ChapteR11
..nEnGebeurtenissen
../VanAgrar_345-384
..heWorldS_ChapteR5
..aleGs_HoofdStuk2a
..ialeGs_HoofdStuk1
..C2/LaVaKl_Deel4H7
..C2/LaVaKl_Deel4H8
..C2/KabouterPartij
..C2/LaVaKl_Deel4H9
..2/LaVaKl_Deel4H11
..MinderhedenBeleid
..2/LaVaKl_Deel4H17
..dingenEnVakbonden
..TheorieI_HoorCol2
..aC3/NancyStruever
..TheorieI_HoorCol4
..eWorldS_ChapteR12
..heWorldS_ChapteR8
..eWorldS_ChapteR10
..sNotesOnAnarchism
..Sofie/BaC1/CarNap
..fie/BaC1/FouCault
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1972:
..anden van de OESO
..lingCollege90kern
..nEnGebeurtenissen
..heWorldS_ChapteR5
..heWorldS_ChapteR4
..2/LaVaKl_Deel4H10
..TheorieI_HoorCol3
..heWorldS_ChapteR3
..eWorldS_ChapteR11
..heWorldS_ChapteR9
..heWorldS_ChapteR8
..eWorldS_ChapteR10
..kyOnPostModernism
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1973:
../BaC1/KoudeOorlog
..oorlogse expansie
..unistische wereld
..1 Latijns Amerika
..Ling_3.3.2 Afrika
..mdLing_3.3.3 Azië
.. neergang na 1973
..anden van de OESO
.._4.2 Het Oostblok
..1 Latijns Amerika
..ing_4.3.2. Afrika
..mdLing_4.3.3 Azië
..lingCollege90kern
..oefTentamenVadney
..eWorldS_ChapteR11
..nEnGebeurtenissen
..heWorldS_ChapteR5
..2/LaVaKl_Deel4H10
..2/LaVaKl_Deel4H12
..I_LiteratuurLijst
..heWorldS_ChapteR8
..heWorldS_ChapteR7
..heorieII_HoorCol4
..heorieII_HoorCol1
   1986:
.._4.2 Het Oostblok
..eWorldS_ChapteR11
..nEnGebeurtenissen
..heorieII_HoorCol1
..eWorldS_ChapteR12
   1988:
..1 Latijns Amerika
..eWorldS_ChapteR11
..heWorldS_ChapteR5
..heWorldS_ChapteR4
..eWorldS_ChapteR12
..eWorldS_ChapteR10
..heorieII_HoorCol2
   1994:
.._4.2 Het Oostblok
..nEnGebeurtenissen
..heWorldS_ChapteR5
..2/LaVaKl_Deel4H15
..2/LaVaKl_Deel4H16
..eWorldS_ChapteR12
..heWorldS_ChapteR9
..Sofie/BaC1/PopPer
   1995:
..ing_4.3.2. Afrika
..nEnGebeurtenissen
..2/LaVaKl_Deel4H15
..2/LaVaKl_Deel4H17
..eWorldS_ChapteR12
..ofie/BaC1/LeVinas

Part of the LogiLogi Network: The LogiLogi Foundation - LogiLogi.org - OgOg.org
This is an old version for archival purposes, see www.LogiLogi.org for the current version.
< Edit this document | View history | Printer friendly (inc. links) >
Visited 2417 times
Document last modified Sun, 12 Oct 2003 01:41:58
All content is available under the GNU Free Documentation License. The LogiLogi-system is under the GPL
SourceForge.net Logo Zylon Internet Services-Groningen Logo
Visitor statistics