Fremd Ling_3.2 De communistische wereldGeconfronteerd met de huidige diepe economische crisis in de landen van de voormalige Sovjetunie en haar vroegere Europese satellietstaten is men geneigd de economische ontwikkeling in het Oostblok na de Tweede Wereldoorlog alleen maar in uiterst sombere kleuren te schilderen. Maar toch benaderden de groeipercentages van die landen tussen 1950 en 1973 wel degelijk die van West-Europa, zodat het verschil in die periode op zijn minst niet groter werd (vgl. tabel 1). De betrouwbaarheid van de cijfers is weliswaar twijfelachtig. Met ontelbaar veel doden en gewonden en enorme verwoestingen had de Sovjetunie het meest van de TweedeWereldoorlog te lijden gehad. Na de oorlog zette zij de economische politiek voort waarmee StaliN aan het eind van de jaren twintig een begin had gemaakt, met dit verschil dat men zich niet meer zo sterk van het buitenland afsloot als voorheen. De Sovjetunie was sinds 1949 nauw met andere Europese communistische landen verbonden in de CouncilForMutualEconomicAssistence (COMECON). (Joegoslavië had overigens al in 1948 met de Sovjetunie gebroken.) Tot 1960 bestonden er ook vriendschappelijke betrekkingen met de Volksrepubliek China. De Europese satellieten werden via de COMECON als het ware onderdeel van de geleide economie van de Sovjetunie. In dit verband moesten de economieën van die landen hun productiemiddelen voor het grootste gedeelte nationaliseren of op een andere manier collectiviseren en een centraal geleide economie naar stalinistisch model invoeren. Grote delen van hun economische capaciteit werden bovendien ingezet om de behoeften van de Sovjetunie te dekken, zodat de buitenlandse handel van dat land enorm toenam. Maar anders dan in de kapitalistische wereld verschafte die handel geen toegang tot de nieuwste technologie. In de economieën van het Oostblok was zowel interne als externe concurrentie via het prijsmechanisme uitgesloten. Daardoor konden bedrijven met verouderde technische installaties verder produceren. Zij werden niet bedreigd door een concurrerende import, omdat de staat immers de controle had over de gemonopoliseerde buitenlandse handel. Een vrij deviezenverkeer was uiteraard ook niet toegestaan. Nu is het behoud van op zich verouderde bedrijven economisch gezien niet per se onverstandig: in een zuivere markteconomie worden bedrijven b.v. vaak alleen maar gesloten omdat een concurrent in staat is hetzelfde product goedkoper te produceren en dus voor lagere prijzen aan te bieden. Technisch zou het oude bedrijf nog wel kunnen functioneren; waarom zouden dan de installaties naar de sloop moeten en de arbeidskrachten worden ontslagen? In een geheel vrije economie is het de markt, die investeringen waardeloos kan maken nog voordat de technische levensduur ervan is afgelopen. In een systeem dat toch geen concurrentie kent, kan het daarentegen zinvol zijn om eenmaal gedane investeringen zo lang te benutten tot hun fysieke of technische bruikbaarheid ook echt is uitgeput. Onder die omstandigheden is het behoud van afzonderlijke oude bedrijven wel degelijk verdedigbaar. De traagheid van het planningssysteem echter heeft onvermijdelijk tot economische structuren geleid die in hun totaliteit op het ogenblik totaal verouderd zijn. Een dergelijk systeem kan op de lange duur alleen in stand blijven, als het zo veel mogelijk van de markteconomieën wordt afgeschermd. Zo gauw dat niet meer het geval is en de bescherming wegvalt, wordt opeens duidelijk dat de hele economie hopeloos verouderd is. De gevolgen van de aansluiting van de DDR bij de Bondsrepubliek spreken wat dit betreft boekdelen. Hoe indrukwekkend de groeipercentages in de Oosteuropese landen tussen 1950 en 1973 ook geweest mogen zijn, ze vormen geen aanwijzing voor een overeenkomstige stijging van de welvaart, zoals in het Westen het geval was. De groei was namelijk het resultaat van grotere, maar minder productieve investeringen dan in het Westen, waarbij de sector van de consumptiegoederen werd verwaarloosd ten gunste van de zware industrie. Bovendien werd in het Oostblok een groter deel van de beschikbare middelen in de wapenindustrie gestoken, wat eveneens ten koste ging van de consumptie. Gezien de - ondanks alles - hoge groeipercentages dringt zich vanzelf de vraag op, welke mogelijkheden voor de verbetering van de levensstandaard er in het Oostblok wel niet allemaal zijn opgeofferd. China, het land met de meeste inwoners ter wereld, had door de Japanse bezetting, het verzet daartegen en de burgeroorlog tot 1949 eveneens enorme schade geleden. Na de TweedeWereldoorlog woedde er een verbitterde burgeroorlog, die in 1949 door de machtsovername van de communisten werd beëindigd. Van 1950 tot 1973 groeide de economie zo snel, dat de percentages per hoofd van de bevolking zowel die van West-Europa als die van het Oostblok benaderden. Dat is des te verbazingwekkender omdat de Chinese bevolking destijds veel sterker toenam dan de Europese (vgl. tabel 2). Gezien het lage beginniveau van de Chinese economie kon echter zelfs door de sterke groei de armoede in het land nog niet worden overwonnen. In 1973 was zij echter al lang niet meer zo wijd verbreid als op het Indische subcontinent, dat in 1950 wat economische zwakte betreft nog met China kon worden vergeleken. China's economische politiek was na 1949 eerst georganiseerd volgens het model van de Sovjetunie: sinds 1953 onteigening van het particuliere eigendom aan productiemiddelen, collectivering van de landbouw, een geleide economie met staatsbedrijven en een centrale verdeling van de ter beschikking staande hulpbronnen en tenslotte geen regulering via het prijsmechanisme. China investeerde meer dan India in kapitaalgoederen en in onderwijs. Vooral na de breuk met de Sovjetunie in 1960 was China in hoge mate van de buitenwereld afgesloten. Het kreeg geen ontwikkelingshulp meer en zijn buitenlandse handel nam maar weinig toe. Tussen 1958 en 1961 wilde China een "grote sprong voorwaarts" maken om aansluiting te vinden bij de economisch belangrijkste landen. Het radicale industrialiseringsprogramma, vooral ook op het platteland, vergde van de mensen ondraaglijke offers op het gebied van de consumptie en eindigde met hongersnood en miljoenen slachtoffers. Vanaf 1961 voerde China een gematigder groeibeleid, dat de nog steeds bescheiden levensstandaard toch duidelijk verbeterde. |
MenuList
specific:
