Fremd Ling_3.3.1 Latijns AmerikaRond 1950 zouden Argentinië, Chili of Uruguay zichzelf bepaald niet als ontwikkelingslanden hebben beschouwd, want hun BBP per hoofd van de bevolking lag destijds op een met dat van West-Europa vergelijkbaar niveau. Maar in de periode van economische groei, die daarop volgde, bleven ze ver achter bij de westerse industrielanden. Economieën als die van Brazilië of Mexico startten daarentegen in 1950 op een veel lager niveau en expandeerden vervolgens net zo sterk als de westerse industrielanden. Hoewel hun bevolking tegelijkertijd enorm groeide, konden ze hun relatieve positie in dit deel van de wereld verbeteren (vgl. tabel 2). De ontwikkeling van het subcontinent als geheel was evenwel onvoldoende. Hoewel de verschillende landen op het gebied van taal en cultuur toch veel meer een eenheid vormden dan de Europese landen, werkten ze onderling veel minder samen dan de Europeanen. Handelsbelemmeringen bleven bestaan. Omdat Latijns Amerika minder dan andere delen van de wereld van de TweedeWereldoorlog te lijden had gehad, ontving het daarna - anders dan West-Europa - ook geen kapitaalhulp via het MarshallPlan. Vooral onder druk van de communistische revolutie op Cuba in 1959 probeerden de Latijnsamerikaanse landen zich sinds 1960 uit hun isolement te bevrijden. Door middel van verschillende initiatieven voor een vrijhandelszone, landhervormingen en coördinatie van de economische politiek moest een groot opgezet programma voor de economische vooruitgang van de regio op de rails worden gezet. Al spoedig verleenden de Verenigde Staten hun steun aan deze pogingen via hun AllianceForProgress (1961). Met een kapitaalhulp van 20 miljard dollar, die ze over tien jaar wilden spreiden (in werkelijkheid ontving Latijns Amerika tussen 1961 en 1968 9,2 miljard dollar), hoopten ze de Marshall-hulp voor West-Europa te kunnen herhalen. Maar al na een paar jaar bleek de nieuwe aanpak een illusie te zijn. Door een fanatiek nationalisme, gecombineerd met steeds meer autoritair opererende regimes, ontviel de basis aan elke vorm van samenwerking. Binnenslands leden de hervormingen schipbreuk vanwege de tegenstand van de heersende klassen, en kapitaaloverdrachten sijpelden weg omdat het - anders dan in Europa aan het eind van de jaren veertig - aan eigen binnenlandse impulsen ontbrak. In het algemeen vertrouwden de Latijnsamerikaanse landen het marktmechanisme niet helemaal. Het gevoerde beleid behelsde overheidsingrijpen op micro-economisch niveau met staatscontrole, subsidies en protectionisme. Juist de handelsbelemmeringen onderling en het lage nationale vraagniveau zorgden ervoor dat rond 1970 de industriële sectoren gekenmerkt waren door een lage arbeidsproductiviteit (hoge kosten dus) en de afwezigheid van "economies of scale". Al in het interbellum had men geprobeerd om de invoer van industriële goederen door inheemse producten te vervangen. Deze industrialisatie via import substitutie op nationaal niveau wordt in het algemeen als niet geslaagd beschouwd. Maar zonder een dergelijke economische strategie zou het tegenwoordige inkomen per hoofd van de bevolking nog lager zijn geweest, vooral omdat het export profijl dan nog steeds door de koloniale erfenis (land bouwproducten, mineralen) gedomineerd zou zijn. Aan de koloniale erfenis van een uiterst onrechtvaardige inkomensverdeling en grootgrondbezit veranderde niets. De kloof tussen het gemiddelde van de 10% hoogste inkomens en dat van de 10% laagste was in Latijns Amerika ongeveer twee keer zo groot als in Azië of in de westerse industrielanden. Het aantal boeren met eigen landbezit was in Latijns Amerika naar verhouding nooit zo groot geweest als in Azië of Europa. De klassentegenstellingen en de weinig solide begrotings- en economische politiek vonden hun weerslag in een hoge inflatie. Die was tussen 1950 en 1973 gemiddeld 21,3% per jaar. Zo was Latijns Amerika als geheel in 1973 tot een slechtere economische situatie afgezakt dan waarin het zich nog direct na de oorlog bevond. |
MenuList
specific:
