Fremd Ling_4.1 De landen van de OE So4.1 De landen van de OESO De oorzaak van de plotselinge trendbreuk rond 1973 wordt vaak gezocht in onverwachte externe factoren, waarbij vooral de prijsexplosie van ruwe olie, waartoe de OrganizationOfPetrolExportingCountries OPEC besloot, een belangrijke rol speelde. Die verklaring is echter allesbehalve afdoende. De oorzaken liggen veel dieper, en wel in de landen van de OESO zelf. De voorheen sterke groei, gecombineerd met een vrij lage inflatie, was gebaseerd op het wereldvalutasysteem van BrettonWoods, dat tot aan het begin van de jaren zeventig functioneerde. Voor de afschaffing van dit systeem van vaste wisselkoersen tussen 1971 en 1973 waren de westerse supermacht, de Verenigde Staten, en zijn belangrijkste handelspartners verantwoordelijk. Door de op volledige werkgelegenheid gerichte Amerikaanse politiek kwam het in dat land op den duur tot inflationaire prijsstijgingen. Omdat men verzekerd was van een grote vraag, konden de ondernemingen hun prijzen verhogen en de vakbonden loonsverhogingen afdwingen die hoger waren dan de stijging van de productiviteit. Omdat de dollar aan een vaste wisselkoers gebonden was, leidde de loon-prijsspiraal tot duurdere Amerikaanse exportproducten. Voor de Amerikaanse economie kwam daar nog bij, dat Japan en de Duitse Bondsrepubliek, de twee belangrijkste andere handelslanden binnen de OESO, hun inflatie binnen de perken wisten te houden en tijdens hun inhaalrace een veel grotere productiviteitsstijging realiseerden dan de Verenigde Staten. In de jaren zestig smolt het vroegere Amerikaanse overschot op de handelsbalans weg als sneeuw voor de zon. Wat restte, was onvoldoende om de buitenlandse verplichtingen in dollars ten gevolge van militaire betrokkenheid (NAVO, VietnamOorlog), de directe investeringen van Amerikaanse bedrijven in het buitenland en andere geldstromen (ontwikkelingshulp, bankkredieten) te compenseren. Terwijl er in de jaren vijftig buiten de Verenigde Staten nog een gebrek aan liquide middelen was geweest, waren er in de jaren zestig dollars in overvloed. De centrale banken van andere landen en ook particuliere banken beschikten over steeds meer vorderingen in dollars. Die konden worden benut voor kredieten aan het buitenland, maar ook voor valutaspeculaties. Als b.v. de revaluatie van een valuta werd verwacht, dan ontstond onmiddellijk een vlucht uit de dollar naar de betreffende valuta. (Dat gebeurde in 1961 bij de gulden en de Duitse mark.) Daardoor werd de druk tot ReValuatie natuurlijk nog eens extra vergroot. Het vertrouwen in de dollar verdween, toen in het midden van de jaren zestig duidelijk werd dat de tegoeden in dollars buiten de Verenigde Staten behoorlijk wat groter waren dan de Amerikaanse goudvoorraad. Het systeem van BrettonWoods had alleen kunnen blijven voortbestaan als de overwaardering van de dollar zou zijn verminderd door revaluatie van de valuta's in de landen met een overschot. Maar de belangen van die landen op het gebied van de uitvoer (de exportproducten worden door een revaluatie immers duurder) leidden ertoe dat een dergelijke maatregel maar zelden en hoogstens mondjesmaat werd genomen. Bovendien zou men het systeem hebben moeten hervormen door invoering van een nieuwe wereldgarantievaluta naast de dollar en door de stichting van een sterke centrale wereldbank. In 1970 voerde het IMF de Speciale Trekkingsrechten (SpecialDrawingRights, SDR's) in. Dit nieuwe systeem van internationale geldschepping was weliswaar een stap in de goede richting maar bleef onvoldoende. In een poging het systeem te redden zagen de centrale banken (met uitzondering van de Franse) er gedurende een aantal jaren vanaf om hun dollar-vorderingen in te ruilen tegen goud. Maar na de door speculatie noodzakelijk geworden devaluatie van het Britse pond in 1971 was het overduidelijk dat de pariteit van heel wat valuta's ten opzichte van de dollar niet meer realistisch was. Dit veroorzaakte voortdurend nieuwe speculatiegolven. Tenslotte weigerden de Bondsrepubliek Duitsland en Nederland in het voorjaar van 1971 om de dollarpariteit nog langer te verdedigen en gaven ze hun wisselkoersen vrij. Er volgde een grote vlucht uit de dollar en op 13 augustus 1971 trokken de Verenigde Staten eenzijdig hun belofte in, om dollars tegen goud in te wisselen. Men stelde weliswaar nog een tijd lang alles in het werk om een systeem van vaste wisselkoersen in stand te houden, zonder binding aan het goud, maar in feite hield het wereldvalutasysteem vanaf 1973 op te bestaan. Zwevende wisselkoersen verstoren sindsdien de internationale handel en bemoeilijken de planning van de productie, voor zover die van de wereldmarkt afhankelijk is. De kern van het probleem is dat de koersen van de drie belangrijkste valuta's, de dollar, de Duitse mark en de Japanse yen, niet alleen maar worden bepaald door de kracht en de onderlinge verhouding van hun economieën: onafhankelijk van de stromen van goederen en diensten beïnvloeden ook kapitaalstromen de koersen in hoge mate. Deze kapitaalstromen ontstaan op grond van speculaties, renteverschillen, politieke gebeurtenissen, directe investeringen, ontwikkelingshulp, inkomensoverdrachten, enz. Om de wisselkoersen toch nog een beetje stabiel te houden, proberen zwakkere valuta's hun koers aan die van sterkere te koppelen. Zo zijn Zuid-Amerikaanse valuta's aan de dollar gebonden, Oostaziatische aan de yen en Westeuropese aan de Duitse mark. Een aantal Europese landen had al in 1972/1973 het gemeenschappelijke optreden op het gebied van de wisselkoersen willen institutionaliseren, maar pas in 1979 kwam er een redelijk functionerend monetair samenwerkingsverband van de meeste EG-leden tot stand, het EuropeesMonetairSysteem (EMS). De rekeneenheid daarvan, de ecu (European Currency Unit), moet in de toekomst de gemeenschappelijke valuta worden, maar op dit moment is de EMS eigenlijk niet meer dan een DM-zone. Internationaal is de dollar nog steeds de belangrijkste valuta. Daarvan profiteren de Verenigde Staten, want zij kunnen hun tekorten op de betalingsbalans financieren in een valuta, die ze zelf maken. Uit de ineenstorting van het systeem van BrettonWoods blijkt dat antagonistische tendensen de overhand hadden gekregen in de wereldeconomie en een einde hadden gemaakt aan de samenwerking onder leiding van de Verenigde Staten. Ook binnen de afzonderlijke westerse economieën nam aan het begin van de jaren zeventig de consensus over de economische politiek af. Er was een principiële heroriëntering nodig, want de belangrijkste doelstelling was nu niet meer volledige werkgelegenheid, maar inflatiebestrijding. In de periode van sterke groei in de jaren vijftig en zestig was de inflatie binnen de perken gebleven. Maar aan het begin van de jaren zeventig begonnen de prijzen opeens te stijgen. In 1973 kregen de landen van de OESO een prijsstijging van maar liefst 10% te verwerken. Eén van de oorzaken was dat ook binnen de afzonderlijke economieën de antagonistische opstelling van werkgevers en werknemers ertoe leidde dat de samenwerking volgens het overlegmodel schipbreuk leed. De strijd om de verdeling van het BBP leverde de werknemers weliswaar een hoger loon op, maar de ondernemers stonden op de markt zo sterk, dat ze de loonsverhogingen met net zo grote prijsstijgingen konden afwentelen. Een andere bron van inflatie waren begrotingstekorten van allerlei soort. Een deel ervan was zelfs bewust veroorzaakt bij pogingen om ook de geringe recessie volgens de theorie van KeyNes te bestrijden met een anticyclisch begrotingsbeleid (monetaire financiering). Andere, onbedoelde begrotingstekorten waren structureel en vonden hun oorzaak in het feit, dat de groot opgezette programma's voor socialezekerheid in een tijd van afnemende economische groei niet meer betaald konden worden uit de opbrengsten van reguliere belastingen en andere afdrachten. Een treffend voorbeeld vorm 't in dit verband de sociaal-economische politiek van het KabinetDenUyl (1973-1977) in Nederland: het beleid bestond uit een combinatie van sociaal-democratische plannen voor een inkomensherverdeling die iedereen (ook de niet-werkenden) een basisinkomen moest garanderen en van overtrokken ideeën over de realiseerbaarheid van volledige werkgelegenheid door middel van overheidsinterventie. Bovenop de genoemde oorzaken van de inflatie binnen de afzonderlijke landen kwam dan nog eens de schok, dat de prijzen voor ruwe olie eind 1973 door toedoen van het OPEC-kartel twaalf keer zo hoog werden. Alles bij elkaar leidde dat in 1973 tot een prijsexplosie van de wereldexport met 23%. Hoewel nogal wat critici de terughoudende opstelling van de overheid op het gebied van de economie overdreven vinden, hebben de meeste landen van de OESO daaraan tot nu toe in grote lijnen vastgehouden. In het algemeen accepteren de burgers en de politici verschijnselen als een matige economische groei, een geringe inflatie en een structureel hoge werkloosheid als voldongen feiten die niet direct als uitvloeisel van de gevoerde economische politiek worden gezien. Op langere termijn gezien kan het lagere groeitempo sinds 1973 heel goed worden beschouwd als een terugkeer tot normale verhoudingen, want de enorme explosie in de jaren vijftig en zestig was in de geschiedenis van de wereldeconomie zeer uitzonderlijk. Juist de landen, die hadden geprofiteerd van deze unieke situatie (de wederopbouw en de inhaalrace ten opzichte van de Verenigde Staten) moesten uiteindelijk toch rekening houden met een bescheidener groei op de lange termijn. De omslag rond 1973 had echter niet betrekking op alle economische ontwikkelingen in de naoorlogse periode. Het liberale wereldhandelssysteem, de belangrijkste verworvenheid, bleef in hoofdzaak behouden. Weliswaar wordt er steeds weer geklaagd dat de wereldhandel na 1973 te lijden zou hebben gehad van "neoprotectionisme", maar dat verwijt blijkt overdreven bij een eerlijke vergelijking met het werkelijke protectionisme tijdens het interbellum. Dat de wereldhandel vanaf 1973 zo weinig is toegenomen, is vooral te wijten aan de in het algemeen lagere groei en slechts in mindere mate aan vrijwillige uitvoerbeperkingen of scherpe invoercontrole. In het Westen werden wel degelijk voorwaarden geschapen die bevorderlijk waren voor de groei van de wereldhandel. Nauw en regelmatig overleg tussen de landen van de OESO liet geen ruimte meer voor een politiek van beggar-my-neighbour zoals in het interbellum. Destijds had ieder land getracht apart zijn interne economische problemen op te lossen. Uiteindelijk was dat voor iedereen nadelig geweest en had het geleid tot een vicieuze cirkel van teruglopende wereldhandel en steeds hogere werkloosheid. |
MenuList
specific:
