Fremd Ling_4.2 Het Oostblok4.2 Het Oostblok Deze paragraaf is gewijd aan Oost-Europa, de Sovjetunie en haar opvolgerstaten. China blijft hier buiten beschouwing, omdat zijn economische orde niet meer op het model van de Sovjetunie geënt was Het wordt nu bij de Aziatische ontwikkelingslanden behandeld. Op het eerste gezicht lijken de landen die tot het eind van de jaren tachtig het Oostblok vormden, nauwelijks achtergebleven te zijn bij de economische groei van West-Europa of de meeste landen van de OESO. Maar zelfs als men geloof hecht aan de cijfers over het BBP - om politieke reden waren deze landen ertoe geneigd om die mooier voor te stellen dan ze in werkelijkheid waren - blijkt uit het ontbindingsproces van de verschillende economieën sinds het eind van de jaren tachtig, dat er sprake was van zeer ernstige fundamentele problemen. De voornaamste oorzaak daarvan moet niet gezocht worden in externe invloeden, maar in de landen van het Oostblok zelf, want de integratie van deze landen in het geheel van de wereldeconomie is nooit zo sterk geweest, dat de afzwakking van de economische groei in het Westen onvermijdelijk naar het Oostblok had moeten overslaan. In de jaren dertig was de geïsoleerde economie van de Sovjetunie b.v. ook voor de economische wereldcrisis gespaard gebleven. In de Sovjetunie, het belangrijkste land van het voormalige Oostblok, is de trendbreuk ook niet in 1973 opgetreden: in 1979 liep de economische groei plotseling in een tot dan toe ongekende mate terug. De daaropvolgende jaren tachtig werden gekenmerkt door achteruitgang. Noch de planologen in de Sovjetunie zelf, noch de experts in het Westen hadden een zo zware stagnatie voorzien. Het gehanteerde planningssysteem functioneerde gewoonweg niet meer. Tevoren was in de vijfjarenplannen de gemiddelde groei uit het verleden steeds als uitgangspunt genomen, waarbij de gestelde normen werden verhoogd voor die sectoren, waar nog tekorten opgetreden waren (b.v. de consumptiegoederenindustrie). Het is van belang op te merken dat men daarbij steeds uitging van extensieve groei zonder echte productiviteitsstijgingen: het streven was niet in de eerste plaats gericht op een efficiënter gebruik van de voorhanden zijnde grondstoffen, arbeidskrachten en machines. In plaats daarvan boorde men voortdurend nieuwe hulpbronnen aan om de productie te kunnen vergroten. De economie stagneerde uiteindelijk omdat dit groeimodel zijn natuurlijke grenzen bereikte: de bevolking en daarmee het reservoir aan arbeidskrachten groeide niet meer voldoende en de traditionele grondstoffenbronnen raakten uitgeput of de opbrengsten gingen gepaard met steeds hogere kosten. De nieuwe vindplaatsen lagen namelijk ver van de traditionele plaats van verwerking, voornamelijk in het onherbergzame Siberië of in Centraal-Azië. In de landbouw had men tot in de jaren zeventig de productie in belangrijke mate vergroot door de ingebruikneming van voorheen woeste gronden. De mogelijkheden daartoe waren natuurlijk niet onbegrensd. Door fouten in het investeringsbeleid (b.v. onvoldoende investeringen in de vervanging van machines) bleven veel verouderde fabrieken in bedrijf. Ook een steeds groter en complexer wordend productieapparaat stelde op den duur te hoge eisen: de coördinatie tussen de bedrijven werd steeds minder efficiënt; de deelplannen konden slechts met steeds meer moeite op elkaar worden afgestemd; het onderontwikkelde verkeersnet bleek niet in staat om een vlot materiaaltransport tussen de verschillende fabrieken te garanderen. Daar kwamen nog andere coördinatieproblemen bij, zoals bij de productie van halffabrikaten. Alles bij elkaar leidde dat tot een omslag rond 1980. Nog steeds is er geen werkelijke oplossing voor de traditionele tekortkomingen in de distributie van consumptiegoederen, die vaak ook nog van slechte kwaliteit zijn. In 1990 was er een recordoogst, waarbij de onvolkomenheden bij de opslag en het transport op het platteland duidelijk aan het licht kwamen. Miljoenen tonnen graan verrotten op het land. Door de zwarte markt en speciale winkels voor de heersende klasse daalde de arbeidsmoraal nog verder dan toch al het geval was. De ernst van dat probleem wordt onderstreept door de campagnes voor meer discipline in de jaren tachtig. Een niet onbelangrijke oorzaak van de economische achteruitgang vormde ook het feit dat de Sovjetunie een zeer groot gedeelte van haar economische potentieel gebruikte voor bewapening. Men schat dat het aandeel steeg van 13% van het BBP aan het begin van de jaren zeventig tot 16% in het midden van de jaren tachtig. (Ter vergelijking: in de Verenigde Staten nam het van 5,6% toe tot 6,6% en in Japan bleef het onveranderd op 1%.) Dat betekent dat de Sovjetunie een ongeveer even groot gedeelte van het BBP uitgaf aan bewapening als de Verenigde Staten aan investeringen ter vergroting van productiecapaciteit (in 1986 18,3%). Het is tegen die achtergrond dan ook heel begrijpelijk dat het streven naar hervormingen in de Sovjetunie vooral na 1985 gepaard ging met een toenadering tot het Westen, om een eind te kunnen maken aan de bewapeningswedloop. Met de mislukte staatsgreep van 1991 viel de Sovjetunie uit elkaar. In de meeste opvolgerstaten en vooral in Rusland vindt sindsdien een chaotische overgang tot een kapitalistisch marktsysteem plaats. Adviseurs uit westerse landen hebben de zogenaamde "shock therapy" aanbevolen om de ineenstorting / collaps van de zieke economie en de schuldencrisis te genezen. De plotselinge heerschappij van ongeremde concurrentie betekende een sprong in het diepe. Door een uit de hand lopende inflatie na het vrijlaten van de prijzen belandden grote delen van de bevolking onder de armoedegrens, wat nauwelijks geschikt lijkt om vertrouwen te wekken in wat voor marktsysteem dan ook. Veel wijst erop, dat de politici hun greep hebben verloren op de radicale hervormingen, die zich ondanks dat op den duur toch wel zullen voltrekken. Al veel eerder hadden andere landen van het Oostblok geprobeerd om de gebreken te overwinnen die inherent waren aan het sovjetsysteem van centrale economische planning. In Joegoslavië had men de autonomie van de bedrijven al vroeg (vooral na 1961) versterkt door de verwezenlijking van arbeiderszelfbestuur en in 1964/1965 viel de principiële beslissing over de invoering van een "socialistische markteconomie". De economische beslissingsbevoegdheden die de centrale regering nog behield, werden in de jaren zeventig overgedragen aan de republieken en de autonome provincies. Ook hier gingen de hervormingen echter gepaard met grote problemen: overdreven looneisen, toenemende inflatie, buitenlandse schulden, voortdurende begrotingstekorten en tenslotte een achteruitgang van de investeringen en dalende productiecijfers. Rond 1980 kwam de economie in een dwangpositie, die uitgroeide tot een staatscrisis. Inmiddels weten wij dat dit slechts het begin van het einde was: de staat Joegoslavië is uiteengevallen. Ook in andere landen mislukten hervormingen die slechts een gedeelte van het systeem betroffen. De toelating van decentrale structuren met meer autonomie en beslissingsbevoegdheden voor de ondernemingen en de invoering van aan de markteconomie ontleende elementen waren niet voldoende, als er verder werd vastgehouden aan het monopolie van de communistische partijen en aan het collectieve eigendom van het grootste gedeelte van de economie. Lange tijd leek Hongarije een voorbeeld voor andere landen binnen de invloedssfeer van de Sovjetunie. Al in 1968 hadden de hierboven genoemde markteconomische elementen de starre centrale planning doorbroken. Maar de hervormingen waren halfslachtig: de ondernemingen maakten nauwelijks gebruik van hun vrijheid en telkens weer greep de staat zo plotseling in het economisch leven in, dat de in principe toegestane markt niet tot ontwikkeling kon komen. Net als bijna alle andere landen van het Oostblok voorzag ook Hongarije in de jaren zeventig in de ontstane tekorten door import van goederen en kapitaal, waardoor de buitenlandse schuld extreem toenam: in 1990 was hij groter dan 20 miljard US-dollars en dus twee keer hoger dan de export waarde. (In Polen was deze relatie zelfs vijfvoudig.) De schijnbare bloei, die zich ten gevolge daarvan vooral voordeed in de levering van consumptiegoederen, was aan het eind van de jaren zeventig ten einde. De hervormingen waren mislukt; rigoureuze binnenlandse beperkingen waren noodzakelijk om door vergroting van de uitvoer harde westerse valuta te kunnen verdienen, waarmee de rente en de aflossing van de buitenlandse schuld moesten worden gefinancierd. Binnen het bestaande systeem was de permanente crisis onoplosbaar. In 1989 verloor de communistische partij haar machtsmonopolie. Na de vrije verkiezingen van 1990 probeert Hongarije een economie op te bouwen naar westers model. In Polen mislukte in de jaren zeventig de poging nog jammerlijker dan in Hongarije om via buitenlandse schulden en de import van westerse technologie de productiviteit van de eigen economie duurzaam te vergroten. Het Poolse productieapparaat kon niet ingrijpend worden gemoderniseerd. Ook de strategie om de schulden door export te financieren ging niet op, want de afgezwakte conjunctuur van het Westen was niet gunstig voor een vergroting van de uitvoer. De niet te stuiten neergang van de Poolse economie begon in 1979 met een duidelijke verslechtering van de betalingsbalans. Gedurende de jaren tachtig was het land in de greep van een permanente crisis, niet alleen op economisch maar ook op politiek en sociaal gebied. Een loon-prijsspiraal leidde tot hyperinflatie en tussen de nieuwe onafhankelijke vakbond en de nog aan de macht zijnde elite ontbrandde een machtsstrijd. Al in 1987 was het BBP van Polen weer gedaald tot het niveau van 1973. De overgang van een planeconomie naar een markteconomie vanaf 1989 maakte weliswaar een einde aan de hyperinflatie, maar sindsdien liep ook de productie zeer sterk terug, zodat het welvaartspeil op dit moment (1994) vermoedelijk een heel eind onder dat van 1973 ligt. Polen en ook de andere landen die jarenlang het Oostblok vormden, bevinden zich in een overgangsfase die voor grote delen van de bevolking gedurende een reeks van jaren waarschijnlijk een lagere levensstandaard met zich meebrengt dan in de jaren zeventig onder de planeconomie. Het is nog volstrekt onduidelijk, wanneer de markteconomie deze ontberingen ongedaan zal kunnen maken. Zelfs het voorbeeld van de DDR illustreert vooral het sombere toekomstperspectief voor de landen van het voormalige Oostblok, hoewel de DDR toch binnen deze groep tussen 1973 en 1987 kon bogen op de hoogste groeicijfers en het hoogste BBP per hoofd van de bevolking. De economische en monetaire unie met de Bondsrepubliek betekende in 1990 echter een abrupte systeembreuk: vele sectoren van de economie stortten sindsdien in. Een dramatische achteruitgang van de productie en miljoenen werklozen zijn kenmerkend voor de noodsituatie. De aansluiting bij de Bondsrepubliek schiep in Oost-Duitsland een bijzondere situatie, die in vergelijking met de andere Oosteuropese landen zowel voor- als nadelen met zich meebracht. De uitsluitend op het Oosten gerichte export viel nagenoeg geheel weg, omdat de producten daar inmiddels onbetaalbaar zijn geworden. In Duitsland zelf is er geen vraag meer naar veel Oost-Duitse producten, omdat ze bij kostendekkende fabricage niet zouden kunnen concurreren met West-Duitse of geïmporteerde goederen. Verder willen nogal wat Duitse consumenten om allerlei redenen de Oost-Duitse producten eenvoudigweg niet meer accepteren. Daarentegen zou als voordeel kunnen worden aangemerkt, dat West-Duitsland de Oost-Duitse gebieden met honderden miljarden mark ondersteunt. Op een kapitaaloverdracht van een vergelijkbare omvang kunnen andere Oosteuropese economieën niet rekenen. Maar ondanks die bijzondere situatie werden er in Oost-Duitsland een aantal kenmerkende zaken zichtbaar, die waarschijnlijk typerend waren voor alle Oosteuropese landen:
Maar desondanks is Oostduitsland inmiddels de regio in Europa met de hoogste economische groeicijfers. Na de sloping van grote delen van de obsolete productiecapaciteit zijn er grootscheepse investeringen in infrastructuur, gebouwen en moderne fabrieken gedaan. Hier worden de al eerder beschreven groeimodellen van catching-up (technologieoverdracht) in combinatie met reconstructie (overschot aan goed geschoolde arbeidskrachten) toegepast. De huidige situatie in het voormalige Oostblok is het resultaat van een tientallen jaren lang volgehouden, op AutarKie gerichte politiek, die door het Westen nog eens werd versterkt door bewuste discriminatie. Deze politiek heeft geleid tot een economisch stelsel en een mentaliteit die bij een economische opening naar het Westen catastrofale overgangsproblemen tot gevolg hebben. Daar komt nog bij dat veel instituties waarop het systeem in het Westen drijft, in de landen van het voormalige Oostblok nog moeten worden ontwikkeld, zoals een goed functionerend valutasysteem en bankwezen, aan de markteconomie aangepaste bezitsverhoudingen, belastingkantoren, een onafhankelijke rechtspraak, enz. |
MenuList
specific:
