Fremd Ling_4.3.3 AziëIn de Aziatische ontwikkelingslanden was er na 1973 geen sprake van een sterke terugloop van de groei. Integendeel, de meeste economieën expandeerden tussen 1973 en 1987 sneller dan in de periode 1950 tot 1973. Omdat bovendien een aantal landen - in de eerste plaats China - de bevolkingsgroei wist te beperken, steeg het BBP per hoofd van de bevolking daar flink. Alleen op de Filippijnen verliep de economische groei langzamer dan in de voorafgaande tijd. Op dit punt en ook wat betreft de buitenlandse schuld, die in 1987 bijna gelijk was aan het BBP, zijn daar parallellen te trekken met Latijns Amerika. Bijzonder groot was de expansie van de Chinese economie. Met een jaarlijks groeipercentage van 6% van het BBP per hoofd van de bevolking vond het aansluiting bij de snelst groeiende landen, Zuid-Korea, Taiwan, Hongkong en Singapore. Zelfs de armste Aziatische landen, zoals Bangladesh, India, Pakistan en Indonesië, vertoonden in deze tijd een snellere groei dan de meeste hoogontwikkelde westerse economieën. Maar bij deze groeipercentages moeten we ons wel realiseren dat juist de landen van het Indische subcontinent nog steeds behoren tot het armenhuis van de wereld en qua levensstandaard te vergelijken zijn met de Afrikaanse landen ten Zuiden van de Sahara. Ongetwijfeld zijn de Aziatische economieën al op de goede weg en hun toekomstperspectief is aanzienlijk beter dan dat van de ontwikkelingslanden in Afrika. Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen, waarvan de één in de diverse landen telkens weer belangrijker is dan in de andere. In de eerste plaats lag en ligt het peil van de productiviteit in de meeste Aziatische economieën nog duidelijk onder dat van de landen van de OESO of zelfs van Latijns Amerika. Daardoor bestaan er op dit gebied mogelijkheden voor een inhaalmanoeuvre door middel van de overname van westerse technologieën en organisatiestructuren (catching-up-hypothese). Die mogelijkheden zijn er natuurlijk even goed ook voor andere ontwikkelingslanden, maar in een groot aantal Aziatische landen worden ze door het doen van enorme investeringen ook inderdaad benut. Het gedeelte van het BBP dat daar wordt geïnvesteerd, ligt deels ver boven de overeenkomstige percentages in de landen van de OESO (gemiddeld 20,4%). China scoort 36,7%, India 25,3%, Indonesië 26,2%, Zuid-Korea 29,2%, Bangladesh evenwel maar 13,1% en Pakistan 17,8%. De Aziatische landen met de hoogste groeipercentages investeerden met name veel in het onderwijs, wat ook blijkt uit het hoge schoolbezoek (vgl. tabel 4). Juist omdat het beginpunt zo laag lag, konden investeringen in kapitaalgoederen en onderwijs zo veel opleveren. Deze investeringen werden gedaan in een politiek klimaat dat gekenmerkt werd door voorzichtigheid. De regerende politici waren in vergelijking met hun collega's in Latijns Amerika terughoudend, zowel bij het maken van buitenlandse schulden als bij het accepteren van begrotingstekorten. Ze stelden hun land dus niet bloot aan de gevaren van een hyperinflatie. Ten gevolge van de oliecrisis moesten ook zij weliswaar hun problemen op de betalingsbalans oplossen door middel van het aangaan van buitenlandse schulden. Maar zelfs die landen, die zich gemeten aan hun export diep in de schulden moesten steken (India, Pakistan, Bangladesh), deden dat bij buitenlandse regeringen en internationale organisaties. Daar lagen de voorwaarden vast en was er - anders dan bij de particuliere banken - geen sprake van variabele rente met alle risico's van dien. Een conservatieve begrotingpolitiek en een aversie tegen inflatie zijn traditionele elementen van de Indiase politiek. Sinds 1991 voert India ook een liberaal economisch beleid met meer marktelementen en deregulering. In landen als China, Indonesië, Korea en Taiwan had men uit eerdere perioden van hyperinflatie de lering getrokken, dat zoiets onder alle omstandigheden moest worden vermeden. Gezien die instelling duurde de inflatie ten gevolge van de beide prijsexplosies van aardolie in 1973 en 1979 telkens maar kort. Maar inmiddels groeit b.v. de Chinese economie zo hard dat de inflatie oploopt. Met de gestegen inkomens gaat de vraag naar landbouw- en veeteeltproducten blijkbaar sneller omhoog dan het aanbod. Een aantal Aziatische landen tenslotte was zeer succesvol bij de ontwikkeling van de export. Daarbij zorgden ze ervoor dat hun valuta concurrerend bleef en diversifieerden zij hun productie. Bij de uitvoer ging het bepaald niet alleen maar om goedkope massagoederen. Als voorbeeld kan Taiwan worden aangehaald, waar hoogwaardige consumptiegoederen (b.v. sportartikelen van westerse topmerken) in opdracht werden gemaakt. De betrokken Taiwanese firma's kunnen nu overigens ook met eigen merkartikelen op de westerse markten opereren. Omdat het loonpeil in Taiwan inmiddels is gestegen, richten Taiwanese ondernemers fabrieken op in Indonesië, Thailand en Zuid-China, waarbij dezelfde exportstrategie wordt gevolgd. De handel tussen de Aziatische landen nam sneller toe dan de wereldhandel. De buitenlandse handel stimuleerde de economische expansie van de diverse landen. Waar daarvoor minder mogelijkheden bestonden, bleek dat duidelijk uit de lagere groeipercentages: gebieden als het Indische subcontinent waren eenvoudigweg minder op de export gericht. China maakte een bijzondere ontwikkeling door. Na de dood van MauZeDong werd de economie van het land onder een pragmatische leiding gedeeltelijk geliberaliseerd. Aan de boeren werd het nu toegestaan hun producten op de markt met winst te verkopen. Kleine particuliere bedrijven waren geoorloofd in de sectoren van de dienstverlening en het ambacht. Tussen 1978 en 1987 behaalde het land buitengewoon hoge groeipercentages (BBP 9%, toegevoegde waarde landbouw 6,5% per jaar). De staatsbedrijven werden gedeeltelijk gedecentraliseerd en mochten een op winst gericht beleid voeren. De nieuwe openheid van het land naar de buitenwereld, die bleek uit een intensivering van de buitenlandse handel, buitenlandse investeringen en intellectuele contacten, had een positieve invloed op de productiviteit. Ondanks haar beperkingen kon de economische liberalisering een enorme uitwerking hebben, omdat het land voorheen ten gevolge van de culturele revolutie op economisch gebied ver achterop was geraakt. Men kon nu vanaf een laag uitgangspunt een nieuw begin maken. Het is overigens een open vraag of China op de weg van de groei zal kunnen doorgaan ondanks het machtsmonopolie van de communistische partij, die nog steeds driekwart van de economie via de staatsbedrijven controleert. De overgang naar een complexer economisch systeem op een hoger peil zou zich echter ook wel eens niet volgens plan kunnen voltrekken: het grootste deel van de staatsbedrijven zit diep in de schuld, werkt met verlies en groeit veel minder. In 1990 behaalde die sector een groeipercentage van 2,9%; daarentegen nam de productie van de collectieve en particuliere bedrijven in hetzelfde jaar met 20% toe. In de Zuid-Chinese provincies met hun speciale kapitalistische zones worden talloze nieuwe particuliere bedrijven gesticht, die vertrouwen op het beproefde groeimodel van Hongkong en Taiwan. In navolging daarvan produceren ze kwalitatief hoogwaardige goederen voor de export, die vanwege de bijzonder lage lonen op de wereldmarkt kunnen concurreren en die met hoge winst worden verkocht. Zo is er in China een duale economische structuur ontstaan, waarbinnen moderne particuliere bedrijven in opkomst zijn naast de aftakelende staatsbedrijven. Door het verschil in groeitempo zullen de laatste waarschijnlijk steeds meer worden verdrongen. |
MenuList
specific:
