Fremd Ling_Fremdling College72kernWO II zorgde voor veel doden, gewonden en leed, waardoor het arbeidspotentieel verzwakt was, en bovendien vernietigde infrastructuur en bedrijven. Armoede was groot na de oorlog. Door de wapenindustrie was de economische capaciteit op andere gebieden verminderd. Ook waren de internationale betrekkingen, eigenlijk al tijdens de crisis in de jaren 1930, veranderd door protectionisme en het vervallen van de Gouden Standaard. In de VS had de oorlog ook voordelen: de werkloosheid werd opgelost en wapenproductie forceerde vernieuwing van de industrie. Na de oorlog konden fabrieken overschakelen op productie van andere middelen. Ook Duitsland had hier een voordeel aan. De landen die niet direct bij de oorlog betrokken waren gingen erop vooruit (Zuid-Amerika, Azië, Zwitserland en Zweden). De landen die wel betrokken waren bij de oorlog ondervonden drie verschijnselen: economische nood, wederopbouw en een heroriëntering van de economische politiek. De VS verleenden hoge kredieten aan Europese landen en de rest van de getroffen landen. Duitsland en Japan leden nog erger: ze werden economisch zwak gehouden, fabrieken werden ontmanteld als herstelbetaling en de productie werd beperkingen opgelegd. Kartels werden verboden, grote organisaties als Zaibatsu (bankwezen en industrie), IG Farben en de Vereinigte Stahlwerke werden ingeperkt in hun macht. In de Sovjetgedeelten werd alle industrie genationaliseerd. Hoewel in 1947 het vooroorlogs peil weer was bereikt in West-Europa, waren er enkele knelpunten: levensmiddelenschaarste, landbouw en industrie bleven afhankelijk van invoer van grondstoffen, en er was een tekort aan investeringsgoederen zoals machines. Er was een groot tekort aan dollars en guldens werden niet geaccepteerd. Dit werd opgelost door het MarshallPlan: 13 miljard dollar werd van 1947 tot 1952 als gift of lening naar Europa gevoerd. Importeurs konden hun geld nu omwisselen in dollars en met dat ingewisselde geld financierde de staat de wederopbouw - de fondsen hiervoor heten tegenwaardefondsen. Het economisch herstel werd versneld door het MarshallPlan. Echter als de betreffende landen niet al voor die tijd economische bloei hadden gekend, had ook de Marshallhulp niet geholpen. De hulp werd niet aan afzonderlijke landen maar aan West-Europa als eenheid gegeven via de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking OEES. Na haar ontstaan in 1948 werd de OEES omgevormd tot de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling). Echter de VS bereikten niet een soort VS van Europa, maar de EGKS (1952) die later via de EEG en EG in de EU zou transformeren. Na de oorlog had West-Duitsland in 1948 de inflatie beteugeld en begon de zeer snelle opbloei van de economie, georganiseerd via de sociaal-liberale Soziale Marktwirtschaft. Japan herstelde zich langzamer omdat het aan China, Korea en Taiwan slechte afzetmarkten had. In 1948 ging Amerika Japan helpen, stabiliseerde de geldwaarde en herstelde de macht van de ZaiBatsu. De KoreaanseOorlog versterkte de vraag in Japan. De wederopbouw ging gepaard met een economische heroriëntering of zelfs een ander systeem, zoals in het communistische Oostblok. In de rest van Europa zagen linkse en communistische partijen ook veel in elementen van de planeconomie en nationalisatie. Ook liberale partijen zagen nu de nadelen van de laissez-faire politiek van voor de oorlog. RooseVelts NewDeal en de nationaal-socialisten hadden voor herstel gezorgd. De ideeën van KeyNes dat een markteconomie niet zelfstandig voor herstel kan zorgen in tijden van crisis overtuigden velen. KeyNes zei dat conjuncturele stimulering de vraag zou moeten doen stijgen, zodat de economie verbeterd en de werkloosheid vermindert. Het sterke overheidsingrijpen vond plaats in Engeland, Frankrijk, Italië en Japan. In Nederland, Zweden, Oostenrijk en België kwam er een andere structuur met economische overlegorganen waarin werkgevers en werknemers onder streng toezicht van de overheid vergaderden SER. In neoliberale staten zoals Duitsland en de VS werd vertrouwd op het marktmechanisme. Duitsland ging het sociale stelsel uitbreiden, de VS nam de EmploymentAct aan waarin volledige werkgelegenheid tot hoofddoel werd. Pas in de jaren 1960 voerden deze landen KeynesIaanse plannen door. Men had geleerd van de fouten van het Interbellum en probeerde die te voorkomen in het verdrag van BrettonWoods (1944). Hierin werd vastgelegd dat de dollar de sleutelvaluta was, waaraan alle Europese valuta's werden gekoppeld. De dollar had weer een vaste waarde, gekoppeld aan goud. De VS hadden voordeel dat ze met hun geld overal konden betalen, maar een nadeel was dat de waarde van hun geld niet te veranderen was. Als de import- en exportinkomsten van een land niet even groot waren, was dit land verplicht de waarde van zijn munt aan te passen. Dit was een vereiste voor een goed monetair systeem op multilaterale basis (niet bilateraal). Als beveiliging werd het Internationaal Monetair Fonds opgericht, een centrale wereldbank waar landen hun overschot aan inkomsten op konden storten en waar landen met een tekort zich op konden beroepen. De Wereldbank ontstond naast het IMF voor langlopende investeringskredieten, vooral aan de Derde Wereld. Ook moest er volgens Bretton Woods een wereldwijde vrijhandel komen via de oprichting van een organisatie die de wereldhandel zou reorganiseren. Verder dan een verdrag over vaste tarieven kwam het echter niet: de General Agreement on Tariffs and Trade GATT. |
MenuList
specific:
