Fremd Ling_Fremdling College90kernInkomensverschillen tussen alle landen van de wereld waren in 1950 kleiner dan in 1973 en 1987. In 1950 waren de VS, Canada, Australië, Zwitserland en Engeland de welvarendste landen. De verliezers zakten erg af en Zuid-Amerika en Azië verbeterden zich. In absolute economische kracht (BBP vermenigvuldigd met aantal inwoners) waren de VS ook nummer 1. De Sovjetunie, China en India bleven ver achter door een laag BBP. De Europese landen en Japan hadden in 1950-1973 een enorme economische groei van gemiddeld 3,8%. Duitsland, Japan en Italië zaten hier ver boven, Nederland en Frankrijk waren gemiddeld en de VS en Engeland zaten daar onder. De naoorlogse maatregelen zorgden voor geforceerde samenwerking en vermindering van handelsbelemmeringen, waardoor zowel binnenlandse als internationale economie opbloeide. De GATT en het MarshallPlan zorgden voor samenwerking en door twee maatregelen werden de scheve wisselkoersen, deviezencontroles en bilaterale verrekeningsovereenkomsten opgelost zodat aan het BrettonWoods verdrag kon worden voldaan:
Velen zien de EGKS (1952) als een eerste stap naar de VS van Europa, aangemoedigd door de VS, maar het is waarschijnlijker dat ze ontstond omdat alle landen van Europa er belang bij hadden: de BRD wilde haar soevereiniteit vergroten, Frankrijk wilde de BRD aan Europa binden en Nederland wilde de BRD toevoegen aan haar afzetmarkt. De EEG (1958) had als hoofddoel de totstandbrenging van een interne vrije markt zonder invoertarieven en andere beperkingen, die bescherming bood tegen de rest van de wereldmarkt. Dit concentreerde zich in het begin in de landbouw, die door protectionisme en minimumprijzen werd beschermd tegen de wereldmarkt. Quota beperken onder andere de melkproductie, en er wordt gezorgd dat er afzet is voor overschotten. Door exportsubsidies voor landbouwoverschotten van de EU-landen is het aandeel van de EU in de wereldwijde landbouwexport enorm toegenomen en is het voor ontwikkelingslanden goedkoper te importeren dan om zelf te produceren. Deze subsidies zijn echter afgeschaft tijdens GATT-bijeenkomsten en op aandringen van de VS. Protectionisme van de EU past niet in het idee van vrije wereldhandel. Er zijn enkele oorzaken aan te voeren voor de snelle GroeiInEuropa:
Vanaf de jaren 1960, toen de werkgelegenheid volledig was, werden gastarbeiders aangetrokken waardoor de economie verder kon expanderen. De loonstijging werd lager gehouden dan de stijging van de productiviteit zodat de winsten van bedrijven gegarandeerd waren. Groeipercentages in de Oostbloklanden waren tussen 1950 en 1973 van dezelfde orde als in de rest van Europa. De Sovjetunie sloot zich minder af van de rest van de wereld dan voor de oorlog en verenigde zich met andere communistische landen in de Council for Mutual Economic Assistence COMECON. Zowel interne als externe concurrentie werden in het Oostblok uitgesloten, met als gevolg dat ondernemers niet de behoefte voelden hun apparatuur te vernieuwen. Door de westerse markteconomie worden machines vaak niet opgebruikt omdat men moet concurreren met bedrijven die steeds weer vernieuwen om de productie goedkoper te maken. In het Oostblok konden machines gebruikt worden tot ze volledig waren uitgeput. Nadeel echter van de planeconomie was dat niet alleen de productiewijze maar het gehele economische systeem verouderde. Tegenover de even hoge groeipercentages in het Oostblok voor 1950-1973 staat dat de investeringen hoger waren maar minder efficiënt werden gebruikt, bijvoorbeeld niet voor productie van consumptiegoederen maar voor zware industrie. Hierdoor is de verbetering van de levensstandaard lang niet zo groot. China kende een enorme economische groei na de communistische machtsgreep in 1949, bijna even groot als in Europa. Dat was knap gezien de bevolkingsstijging, maar niet verwonderlijk vanwege de grote economische achterstand. Het groeide sneller dan India, dat in 1950 nog een gelijke economische zwakte had, maar raakte na de breuk met de USSR en de stop van de ontwikkelingshulp in 1960 geïsoleerd. De geforceerde industrialisering in 1958-1961 eiste veel slachtoffers, maar na 1961 knapte het land met een gematigder beleid weer op. Zuid-Amerika had in 1950 nog eenzelfde BBP als Europa, maar ontwikkelde zich ondanks de snelle groei in achterstandslanden Brazilië en Mexico niet snel. Oorzaken:
Onder druk van het communistisch geworden Cuba (1959) probeerden de andere landen uit hun isolement te komen door initiatieven voor een vrijhandelszone, landhervormingen en een gestuurde economische politiek. De VS steunden dit vanaf 1961 in de Alliance of Progress. Echter de landen waren te nationalistisch om iets met de Amerikaanse geldtoevoer te doen. Handelsbelemmeringen onderling en de lage binnenlandse vraag zorgden voor een lage industriële productie. Landen probeerden vanaf het Interbellum import te vervangen door binnenlandse productie, een beleid dat niet slaagde, maar zonder dat beleid was het waarschijnlijk nog slechter geweest. Inkomensverschillen waren groter dan waar dan ook, en een inflatie van meer dan 20% per jaar zorgde dat de economie in 1973 slechter was dan in 1950. |
MenuList
specific:
