The World S_Chapte R9Hoofdstuk 9: Aziatische grootmachten. De Culturele Revolutie in China. Gedurende de Culturele Revolutie moedigde Mao Zedong studenten en arbeiders aan tot het opzetten van zogenaamde revolutionaire comités (de "Rode Gardes") die de macht overnamen van de Chinese Communistische partij. Deze machtsstrijd kostte velen het leven, niet het minst als gevolg van de chaos waarin het land terecht kwam door de Culturele Revolutie. Na 1969, toen de leiders van de Culturele Revolutie de machtsstrijd hadden gewonnen werd de chaos minder, maar het bleef een periode van economische stagnatie. Na het mislukken van "de Grote Sprong Voorwaarts" was Mao's ster flink gedaald en was hij gedwongen in 1958 een aantal van zijn vele functies op te geven ten gunste van anderen in de partij, zoals Deng en Liu . Mao legde zich niet neer bij zijn positie op het tweede plan. In 1965 zag hij kans vanuit Shanghai, met behulp van politieke vrienden uit die stad, onder wie zijn vrouw Jiang en Lin Biao, een succesvolle tegenactie te beginnen tegen de regering in Beijing. De machtsstrijd speelde zich in het begin voornamelijk af in het leger- en partijkranten. In maart 1966 schaarde het leger, dat onder directe invloed stond van de minister van defensie en Mao-aanhanger, Lin Biao, zich achter Mao's actie, inmiddels 'De Culturele Revolutie' genoemd. Hierna wisten sympathisanten van Mao het stadsbestuur van Beijing over te nemen. Mao kreeg niet alleen het leger achter zich. Ook massa's scholieren en studenten wist hij te enthousiasmeren en te mobiliseren. Deze 'Rode Gardisten' dienden als revolutionaire voorhoede voor zijn Culturele Revolutie. De beweging van de Rode Gardisten stond buiten de partij en was trouw aan Mao alleen. Bekend zijn de beelden uit die tijd van massa's jongeren die enthousiast zwaaien met de 'rode boekjes', waarin het gedachtegoed van Mao was gebundeld. De Rode Gardisten slaagden er niet alleen in de bestaande partijstructuren te vernielen, maar richtten eveneens grote schade aan de economie, het onderwijs, de levens en persoonlijke bezittingen van de 'bourgeois klasse' Begin 1971 in een aantal belangrijke medestanders van Lin Biao in leger en partij buiten spel te zetten. De in het nauw gedreven Lin zag als enige uitweg het plegen van een staatsgreep. Toen hij dit plan in september 1971 ten uitvoer wilde brengen, was zijn steun echter al zodanig afgebrokkeld, dat zijn poging mislukte. Na de dood van Lin Biao streden verschillende groepen om de aanstaande opvolging van de lichamelijk en geestelijk steeds zwakker wordende Mao: De in eerste instantie meest succesvolle groep bestond uit een aantal radicale veteranen van Culturele Revolutie, aangevoerd door Mao's vrouw Jiang Qing. De vier meest prominente leden zouden later bekend staan als 'de Bende van Vier'. Zij stonden een voortzetting van de Culturele Revolutie voor. Hun tegenstander was o.a. Deng Xiaoping. De Bende van Vier en de overwinning van Deng Xiaoping 1976 was een dramatisch jaar voor China; Het land werd getroffen door vele natuurrampen, waaronder een catastrofale aardbeving. Ook overleed in 1976 Mao Zedong en ontstond opnieuw een strijd om de macht. Nog tijdens zijn laatste maanden betwistten verschillende personen en groepen de opvolging van de ernstig zieke Mao. Deng Xiaoping werd naar voren geschoven. Hij moest echter reeds in februari het veld ruimen voor een groep veteranen uit de Culturele Revolutie, onder leiding van Mao's weduwe, Jiang Qing, bekend als 'de Bende van Vier'. Mao was niet van plan geweest zijn vrouw alle macht te geven en besloot een compromis -figuur te belasten met het premierschap en toekomstige voorzitterschap van de CCP: Hua. Op 5 april 1976 vond een incident plaats op het plein van de Hemelse Vrede in Beijing, waarbij een grote groep van ongeveer honderdduizend personen demonstreerden ter nagedachtenis aan Zhou en ter ondersteuning van Deng's politiek. Hiermee werd impliciet Mao's politiek bekritiseerd. Jiang Qing en haar volgelingen veroordeelden de demonstratie en wezen Deng als aanstichter aan. Hij werd van al zijn functies vervallen verklaard. De demonstratie werd drie dagen later beantwoord door een even grote, ditmaal ter ondersteuning van de nieuwe leider, Hua. Na Mao's dood verloren Jiang Qing en consorten hun belangrijkste steunpilaar. Om hun afbrokkelende macht te herstellen besloot de Bende van Vier een staatsgreep te plegen. Hua Guofeng wist dit samen met een aantal metgezellen te verijdelen door de Bende snel en onverwachts te arresteren (7 oktober). Om voldoende steun te verkrijgen van zijn politieke medestanders besloot Hua om Deng Xiaoping nogmaals te rehabiliteren en hem zijn oude invloedrijke functies in de regering en partij terug te geven. Hierna werd Deng de motor achter een plan de economie te moderniseren en te liberaliseren (de zgn. "Vier Moderniseringen", oorspronkelijk geïnitieerd door Zhou In dit proces versterkte hij zijn positie steeds verder ten opzichte van Hua. Hua gaf zijn premierschap op in 1979. De jaren hierna werden gekenmerkt door een sterke groei van de economie en een zekere toename van de persoonlijke vrijheid voor de bevolking, die zich met name uitte in de populariteit van allerlei westerse modeverschijnselen. Het denken van Mao was op zijn retour, de Bende berecht en veroordeeld (januari 1981). De normalisering van de betrekkingen met het buitenland De Culturele Revolutie had China praktisch van de internationale gemeenschap geïsoleerd. Inmiddels was er sinds het begin van de jaren zeventig sprake van een voorzichtige ontspanning in de relatie tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Nadat de Culturele Revolutie na 1969 haar meest radicale fase achter zich gelaten had, begon bij de Amerikaanse regering een hernieuwde belangstelling te ontstaan voor China. Ook voor de Chinese regering in Beijing begon het besef door te dringen dat een pragmatische houding jegens de Verenigde Staten een belangrijke strategische zet konden betekenen in het steeds gevaarlijker wordende conflict met de Sovjet-Unie aan haar oostgrens. Tijdens het presidentschap van Richard Nixon, met Henry Kissinger als bezielende minister van buitenlandse zaken, begon de Amerikaanse houding ten opzichte van China in versneld tempo te veranderen: diplomatieke kwinkslagen van Amerikaanse kant, zoals het gebruik van de benaming 'Volksrepubliek China' in plaats van het tot dan toe gebruikelijke 'Rood China', werden door China positief beantwoord. De ontvangst door Zhou Enlai van een Amerikaanse tafeltennisteam in 1971 was een niet mis te verstaan bewijs van de toenadering, sindsdien 'Ping-pong politiek' genoemd. In hetzelfde jaar werd, ten koste van de Nationalisten in Taiwan, de Volksrepubliek toegelaten tot de Verenigde Naties (met een permanente zetel in de Veiligheidsraad). Deze toenadering mondde uit in het roemruchte bezoek aan China van president Nixon (21 t/m 28 februari 1972). Het bezoek had een grote symbolische betekenis: het bracht China weer terug op het toneel van de wereldpolitiek. Dit werd geconcretiseerd in het communiqué van Sjanghai (28 februari 1972). Hierin werd de vernieuwde relatie tussen de twee grootmachten neergelegd. De Verenigde Staten verklaarden dat Taiwan deel uit maakt van één China en bevestigden het voornemen van de Amerikaanse regering haar troepen uiteindelijk uit Taiwan en de Straat van Taiwan terug te willen trekken nadat een vreedzame regeling tussen Beijing en Taipei tot stand gebracht zou zijn. Ook bevatte het communiqué impliciete passages gericht tegen de Sovjetmacht in Azië, een welkome steun voor Beijing in hun conflict met de Russen. Tenslotte werd overeengekomen liaison-bureaux op te richten in elkaars hoofdsteden met de uiteindelijke bedoeling de diplomatieke betrekkingen te normaliseren. De algemene conclusie van het bezoek van Nixon is, dat het vooral China groot voordeel gebracht had. De meeste schade leed de Guomindang -regering in Taipei. Deze schade werd nog vergroot door de toenadering van Japan tot Beijing, die bijna onmiddellijk volgde op de Chinees -Amerikaanse ontspanning. (Nixon shocks) Premier Tanaka van Japan bracht nog gedurende hetzelfde jaar eveneens een succesvol bezoek aan China (van 25 tot 30 september). Als direct uitvloeisel besloot de Japanse regering om het bewind in Beijing als enige wettige regering van (heel) China te erkennen. Deze stap werd door de nationalistische regering in Taipei prompt beantwoord met de verbreking van de diplomatieke betrekkingen met Japan. Tot formele aanknoping van diplomatieke betrekkingen tussen de Volksrepubliek en de Verenigde Staten kwam het pas op 1 januari 1979, nadat overeengekomen was dat Washington zijn economische, culturele en militaire banden (met name wapenleveringen) met Taiwan in stand zouden mogen houden. Bovendien stipuleerden de Amerikanen dat de regeringen van beide China's hun problemen op vreedzame wijze zouden oplossen. Wel zou de Amerikaanse regering de diplomatieke betrekkingen met Taiwan en het defensieverdrag van 1954 opzeggen. Op 28 januari 1979 arriveerde Deng Xiaoping in de Verenigde Staten voor een 10-daags tegenbezoek. Tijdens dit bezoek bevestigde Deng het bestaan van een ander politiek systeem op Taiwan en het streven van de Chinese regering naar vreedzame hereniging (in plaats van 'bevrijding'). Dit model van "één China, twee systemen" zou een formule zijn waarop Beijing de komende jaren haar politieke beleid ten opzichte van Taiwan zouden concentreren. Kort na het bezoek van Deng aan de VS vond er op 17 februari 1979 een invasie plaats van Chinese troepen in Vietnam. Dit was bedoeld als straf voor de vermeende Vietnamese arrogantie en Vietnam's verdrijving van het Cambodjaanse Rode Khmer regime, dat altijd een bondgenoot van Beijing was geweest. Hoewel de Chinezen (met veel moeite) een groot deel van Noord-Vietnam veroverden, sloten zij reeds op 5 maart vrede en trokken zich geheel terug uit deze veroverde gebieden. China had duidelijk gemaakt dat zij niet met zich liet sollen. De moeizaamheid waarmee het Chinese leger de operaties uitvoerde bracht de gebreken van het Chinese leger echter evenzeer aan de het daglicht. China onder Deng Xiaoping en zijn opvolgers 1980-heden Dankzij Deng's pragmatische economisch beleid van 'hervorming en openstelling' boekte China in de jaren tachtig grote vooruitgang op weg naar een moderne samenleving. Economische vrijheid en een toestroom van toeristen creëerde een sfeer van vooruitgang en optimisme. Als belangrijk bijverschijnsel stak al gauw de roep naar meer democratie en vrijheid van meningsuiting de kop op. Aan de 'Muur van de democratie' in november 1979 riep arbeider Wei Jingshen Deng Xiaoping op om niet alleen de economie, maar ook de politiek te moderniseren (invoering democratie). Dit kwam hem uiteindelijk op 15 jaar gevangenisstraf te staan. Bij een aantal gelegenheden liepen politieke demonstraties uit de hand. Hierbij bleek hoe zeer regering en partij intern verdeeld waren over de aanpak van wat gezien werd als aantasting van de suprematie van de communistische partij. Zo werd in 1987 Hu Yaobang van zijn functie als secretaris-generaal van de CCP ontheven vanwege een 'te slap optreden' tegen voorvechters van meer democratie in China. De herdenkingsbijeenkomst na zijn dood in april 1989 liep uit op een demonstratie op het Tiananmen plein (plein van Hemelse Vrede) in het centrum van Beijing, die zich gedurende de hele maand mei voortzette en geheel uit de hand liep. Wat begon als een aanhankelijksbetuiging aan de overleden hervormingsgezinde Hu, groeide uit tot een pro-democratische demonstratie zonder weerga. De demonstratie, die werd geleid door studenten van wie een aantal in hongerstaking ging, kreeg grote aandacht in de wereldpers. Binnen de regering kon men het niet eens worden over de aanpak van deze openlijk tegen de regering en partij gerichte provocatie. Toen de demonstrerende studenten het bezoek van de Sovjet president Gorbachov aan Beijing in het honderd deden lopen, leed de regering voor de ogen van de gehele wereld een groot en niet te accepteren gezichtsverlies. De voorzitter van het Centrale Comité van de CCP (Secretaris-Generaal) Zhao Ziyang, voorstander van een gematigde aanpak, werd na mislukte onderhandelingen met de demonstranten aan de kant geschoven en werd onder huisarrest gezet (en overleed in een Beijings ziekenhuis in jan. 2005). De harde lijn, aangevoerd door Deng en premier Li Peng, won de overhand en het plein en omgeving werden op 4 juni 1989 op bloedige wijze schoongeveegd. Hoeveel doden hierbij gevallen zijn, is niet met zekerheid vast te stellen. De schattingen lopen uiteen van enkele honderden tot duizenden. De ontnuchtering en verbijstering na het Tiananmen bloedbad was groot. Het tijdperk van Deng, zo hoopvol begonnen, beleefde een somber gestemd einde. In 1990 legde Deng Xiaoping zijn laatste officiële functie neer maar bleef achter de schermen tot zijn dood in 1997 grote invloed uitoefenen op de gang van zaken. Na het neerslaan van de studentenopstand in 1989 werd Jiang Zemin (1926), één van de voorstanders van de harde lijn, gekozen als Secretaris-Generaal van het Centrale Comité en staatshoofd van de Volksrepubliek. Als zodanig werd hij de feitelijke opvolger van Deng en de machtigste man in China. Li Peng werd als premier opgevolgd door Zhu Rongji (1928). Li zelf werd voorzitter van het Nationale Volkscongres. Japan herrijst. In tegenstelling tot China verkreeg Japan snel een hoofdrol in het Verre Oosten, maar wel onder Amerikaanse invloed. Binnen één generatie was Tokio een neo koloniale macht en op één na grootste handelspartner van Amerika. Voor velen is het een grote mysterie en wonder. Redenen zoals traditie van hard werken, loyaal en respect voor gezag waren deels verantwoordelijk voor het snelle herstel. Achter het wonder. De Japanse herrijzenis was het gevolg van drie factoren: 1. Vanwege de angst voor het opkomende socialisme stond Amerika het Japan toe om zo snel mogelijk de oude bestuursinrichting te herstellen. 2. Vanwege de verergering van de Koude Oorlog door China 1949 en de Oorlog in Korea, was het belangrijk voor de VS om een betrouwbare partnet te hebben in dat gebied. Dus ging met over tot hulp verlenen. 3. De oude heersende klasse bleef bij elkaar en kon terugkeren. Als snel zouden zij het de oude overheid– zaken samenwerking opnieuw weer instellen. Een van reden waardoor Japan zou groot was geworden. Tokio hielp de VS door hen de mogelijkheid te geven om een basis op het eiland te geven. Vanuit hier hadden de VS de mogelijkheid om militaire operaties te ondernemen en op andere manieren de buitenlandse politiek vandaar te ondersteunen. Voor de VS was het erg belangrijk dat Japan zich snel zou herstellen na de WOII, wellicht als een concurrent van henzelf maar de Koude Oorlog was belangrijker dan de eventuele economische gevolgen. Amerika hielp Tokio door de in eind jaren ’40 de inflatie te controleren en speciaal door looneisen te controleren. Maar op de lange duur was de Koreaanse Oorlog dat voor een export boom zorgde voor Japan. Nog later zouden de jaren ’60 Japan leiden tot vredesonderhandelingen met andere Aziatische landen waardoor deze voormalige vijanden handelspartners werden. Herstelbetalingen die overeengekomen werden in de vredesonderhandelingen werden in de vorm van Japanse goederen en diensten gegoten. Hierdoor werd de Japanse economie gestimuleerd. De regionale markt werd een belangrijke afzetmarkt voor Japan. Er werden handelsakkoorden opgesteld tussen de Filippijnen, Indonesië en China. Voornamelijk met de VS werd er grote handel gedreven. Japan had een zwakke plek in haar economie: het voorhanden hebben van grondstoffen zoals olie. Deze werd vanuit het Midden Oosten en Indonesië geïmporteerd. Japan kreeg in de non communistische wereld de 2e economie, op de VS na. Verantwoordelijk voor het herstel: De rol van de overheid in de vorm van samenwerking tussen de overheid en handel: coördinatie van de private sector, aanwijzen van groeigebieden en in het algemeen ondersteuning geven in de vorm van economisch onderzoek en leiding. Voorts stonden zij garant voor leningen van de privé ondernemingen. Hierdoor verkreeg de Bank van Japan invloed op de private sector. Ook het verlenen van subsidies en invoeren van belastingstelsels ten gunste van de handel werden ingesteld. Ook werd er over gegaan tot protectionisme. Door o.a. het instellen van tariefmuren werden de buitenlandse investeerders buiten de grenzen gehouden. Doordat Japan voor de VS erg belangrijk was in de jaren 60 en 70 stond de VS ook vele zaken toe, er werd meer gesproken en onderhandeld dan dat er opgetreden werd. Arbeidsmanagement: de privé sector verdeelde het arbeiders volk in groepen van de één meer dan de andere op het gebied van rechten. Er waren zogenaamde banen voor het leven en blijvend verbonden zijn aan je werkgever. Ook waren er tijdelijke banen voor mensen die hen minder zekerheid gaven en zij verdienden minder dan de eerste groep. Beide systemen zorgden voor loyaliteit ten opzichte van de werkgever. Het leven- werk systeem bestond in bepaalde industrieën, de grootste ondernemingen en banen in dienst van de overheid. Ten tijde van recessies konden de tijdelijke werknemers direct ontslagen worden. Stabiele politiek: er waren na de WOII drie stromingen te zien: de socialisten, één liberale en één democratische. Zij zorgden ervoor dat er in 1951 een vredesverdrag werd getekend met de VS. Regeringsleider Yoshida herstelde de oude orde en ging over tot een wat meer democratische weg, voorgesteld door de VS. Zij waren verantwoordelijk voor de wederopbouw van defensie en politie apparaat. Moeilijk werd het in 1960 toen er een verdrag werd gesloten met Amerika: het Veiligheid Verdrag. Het gevolg was dat Amerika nu nucleaire wapens op Japan mocht stationeren en militaire operaties mocht blijven uitvoeren vanuit de Japanse basis. Onder Yoshida en zijn partij de LDP werd de Japanse economie groots: de oppositie werd hierdoor de mond gesnoerd. De Nixon schokken. Doordat Japan te groot werd ging Nixon over tot invoeren van toeslagen op alle invoer naar de VS en devalueerde de dollar. Reden tot deze actie was om Japan te treffen. Japan moest haar Yen herwaarderen en moest overgaan tot verlaging van haar tariefmuren. De VS had binnenlandse moeilijke tijden: inflatie vanwege de Vietnam oorlog. Voorts dat Nixon in 1971 op bezoek ging in China, schokte Japan. Nu moest Japan ook toenadering zoeken tot China. Samenvattende: Amerika heeft een grote rol gespeel in de ontwikkeling van Japan, na de WOII. De VS steunde de oude heersende klasse zodat er een stabiele situatie kon ontstaan in Japan. Japan werd toegestaan om grondstoffen in te voeren en afzetmarkten te zoeken voor haar handel. Als Tokio maar een loyale medestander bleef. Japan ontwikkelde zich tot een grote macht, maar wel onder Amerikaanse invloed. Nixon shocks bewezen dat. Het wonder van Zuid Korea. In Zuid Korea leverden de VS veiligheid, maar uiteindelijk zou Japan een hoofdrol spelen in de zuid- Koreaanse economische groei in de jaren ’70. Aanvankelijk waren de zuid Koreanen anti – Japans, maar toen verscheen de Vietnam Oorlog. De VS wilde graag dat Japan Seoel erkende en hulp zou gaan bieden. Zowel Japan als de VS zagen in dat een economisch sterk land de beste manier was om binnenlandse onrusten tegen te gaan. Tokio deed dus het zelfde als de VS. Korea lag geografisch goed en had mogelijkheden voor verdere expansie. Had een goed investeringsklimaat, er werd rekening gehouden met buitenlandse investeerders op het gebied van belastingen. Voorts investeerde de overheid in de infrastructuur en haven faciliteiten. Ook werden er speciale economische gebieden aangewezen waar er helemaal geen belastingregels golden, bestemd om buitenlandse investeerders binnen te halen. Ook de lonen werden er kunstmatig laag gehouden. Het nadeel was dat er een rechtse dictator het land bestuurde: Rhee. Er waren opstanden, onderdrukking, was corrupt. In 1960 had een studentenopstand ervoor gezorgd dat Rhee ontslag moest nemen als president. Door het ontstane machtsvacuüm kon er een militaire junta de macht onder leiding van generaal Park grijpen. Deze ging over o.a. tot censuur en verbod tot demonstreren. Zowel Japan als de VS accepteerden dit gelaten en beiden bleven hulp bieden. Zuid Korea was te belangrijk als bongenoot: men deed een oogje dicht. In 1979 werd Park neergeschoten en werd opgevolgd door Generaal Chun. Deze stond meer aan de Westerse kant en ging over tot het verbeteren van de politieke stabiliteit. Het zou tot de jaren 97 altijd een onstabiele regering behouden. Een vergelijking met Noord Korea. Na de Koreaanse oorlog ging Noord Korea over tot een onafhankelijkheid op het gebied van economie en buitenlands beleid. Het doel was om minimaal afhankelijk te zijn van anderen. Ook niet van communisten. In de jaren 70 zouden de Noord Koreanen wel wat contacten legen met het Westen. Westerse banken zorgden voor leningen tegen lage rentes zodat Kim over kon gaan tot omvorming tot een van meest geïndustrialiseerde 3e wereld landen. Kim zou tot zijn dood in 1994 aanblijven, zijn zoon zou hem opvolgen. Beide landen bleven in de problemen zitten. De coup in Indonesië. Het land was rijk aan natuurlijke bronnen zoals gas en olie mar had gebrek aan investeringen zodat haar economische ontwikkeling achterbleef. Sukarno nationaliseerden buitenlandse bedrijven en zorgde ervoor dat Nederlandse en andere Europese buiten gesloten werden van de politiek. De VS investeerde er ook niet. Ook de rol van het leger dat het eigen volk onderdrukte zorgde er ook niet voor dat het land aantrekkelijk was voor buitenlandse investeerders. In 1965 zou er een militaire coup plaatsvinden, georganiseerd door de communisten. Het Westen zag dat als een bedreiging. Sukarno had eerder ook al de banden met China aangetrokken. Naast de communisten was het leger de grootste politieke kracht in Indonesië. Waarom kon Sukarno aanblijven? Sukarno kon alleen aanblijven als hij die twee tegen elkaar kon blijven uitspelen. De dreiging van een leger coup dwong hem om met de communisten mee te werken terwijl het leger bang was voor een communistische opstand tot een burgeroorlog zou leiden waardoor de communisten over zouden blijven. Hij was uitgesproken nationalistisch waardoor hij anti imperialistisch was. Hierdoor kreeg hij veel bijval van de lokale bevolking die jaren onderdrukt waren. Door de ingewikkelde structuur van verschillende geloven, culturen en regionale verschillen (verdeel en heers) kon hij aanblijven. Hij trok dictatoriale matregelen naar zich toe in de vorm van de Geleide Democratie. Hij stelde een eigen parlement aan met het doel om alle verschillende groepringen in één te brengen. Ook de grote communistische aanhang werd onder gebracht, maar wel op zijn voorwaarden. Rusland en China wedijverden om de gunst van Indonesië. De VS had natuurlijk interesse: zij waren in staat om hulp te bieden om Sukarno het hoofd te bieden tegen zowel de militairen als de communisten. De hulp bestond uit het trainen van officieren van het Indonesische leger. Het doel was om Sukarno te steunen zodat niet de communisten de macht konden over nemen. Samenvattend: Indonesië was onder Sukarno een nationalistisch, anti imperialistisch land. Voor de VS was Indonesië, juist omdat er ook communisten in de regering zaten, een gevaar. Voorts was het vertrek van vele Europese landen uit Indonesië een aanleiding tot corruptie en liet het land achter in een soort van bestuurlijke puinhoop. Ook de relatie met China vormden een aanleiding voor de coup. De coup – eind 1965. Het leger komt aan de macht met generaal Suharto als sterke man. De kranten worden gemuilkorfd en de volgende dag wordt het persbureau Antara onder toezicht van het leger gesteld. Nadat de lijken van de zes vermoorde generaals worden gevonden begint een felle haatcampagne tegen de communisten. Deze aanval op de Communisten wordt ondersteund door Islamitische organisaties en religieuze leiders. In de periode die daarna volgt ontstaat ook een klopjacht naar Chinezen en begint de fysieke uitroeiing van de Communisten. Dit werd ook wel de Nieuwe Orde genoemd. Het Westen reageerde niet. Rusland beëindigde haar hulp en de banden met China werden verbroken. Indonesië zou neutraal blijven maar wel lid van de door de Amerikanen opgestelde organisatie van Aziatische landen. De Nieuwe Orde zou leiden tot militaire dictatuur in tegenstelling tot wat Sukarno had: een coalitie van alle partijen ( nasakom). Hij ging over tot het stoppen van de landhervormingen met als doel om een investeringsklimaat voor buitenlanders te maken. Dit ter verrijking van zichzelf en zijn familieleden. Alle investeringen (VS en Japan)ten spijt, het heeft niet geleid tot een economische ontwikkeling. Een kleine elite kon zich verrijken. Suharto verenigde het leger met de economie. Oost Timor. Het geweld van de Indonesische troepen tegen de Oost-Timorezen werd wereldwijd veroordeeld. Washington had het in zwakke bewoordingen over het respecteren van de democratie en de mensenrechten. Het oefende ondertussen geen enkele druk uit op de Indonesische generaals, maar voorzag hen van militaire hulp, noch op de bankiers en zakenmannen die alleen bestaan bij de gratie van IMF- en Wereldbankkredieten. De VS steunden de Indonesische invasie van Oost-Timor in 1975. President Gerald Ford en staatssecretaris Henry Kissinger bezochten Jakarta nog net voor de invasie. Een maand later, op 22 januari 1976, verklaarde een ambtenaar van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken dat "gezien de bilaterale relaties tussen de VS en Indonesië staan we de inval in Oost-Timor min of meer toe. De VS willen hechte en vriendschappelijke relaties met Indonesië blijven behouden. We beschouwen Indonesië als een vriendelijke, ongebonden natie. Een natie waarmee we heel wat zaken doen." Zuid Azie India . In de wereld grootste democratie, India, was er na de onafhankelijkheid geen verdeling van welvaart onder de bevolking en de politieke macht bleef onder de Engelse sprekend elite. Nehru maakte een einde aan de kaste van “ongenaakbaren”, maakte wetten op het gebied van monogamie, scheiden en gelijke rechten voor vrouwen. Hij maakte een seculaire staat terwijl er zoveel verschillende geloven aanwezig waren. Hij was in staat om de onderlinge strijd tussen verschillende partijen tot een eind te brengen. Hij zou sterven in 1966. In 1966 werd mevrouw Gandhi eerste minister. Zij zette het “inward -looking” economisch beleid van haar vader voort en werd geconfronteerd met een aantal ernstige problemen : slechte economische omstandigheden, bevolkingstoename en voedseltekorten. Bovendien was de erkenning van de officiële talen uitgegroeid tot een belangrijk binnenlands strijdpunt. Uiteindelijk werd in januari 1968 iedere deelstaattaal als schooltaal ingevoerd, met aanvulling van het Hindi en Engels, talen die in het centrale gouvernement vereist bleven. Indiras populariteit en gezag namen toe n.a.v. haar politiek inzake het conflict tussen de Pakistaanse regering en Oost -Pakistan, waaruit de onafhankelijkheid van Bangladesh zou voortkomen. Echter, de door haar beloofde landhervormingen bleven uit, met groeiende spanningen in de deelstaten tot gevolg. Het vertrouwen in haar partij werd ondergraven. Om het prestige van India te vergroten werd in 1974 de eerste ondergrondse kernbom tot ontploffing gebracht. Het jaar daarop werd Sikkim geannexeerd en tot bondsstaat verklaard. Toch bleef de oppositie tegen de centrale regering groeien. Dit bracht Indira, die inmiddels wegens verkiezingscorruptie in moeilijkheden met de justitie was geraakt, ertoe op 26 juni 1975 de noodtoestand af te kondigen. Haar autoritair beleid uitte zich in nog tal van andere maatregelen. Zo werden gedurende twee jaar de burgerrechten opgeschort. Bepaalde groepen onder de armen werden ook het slachtoffer van sterilisatie en krotopruiming. Bovendien werd de pers gecensureerd en werden de critici van Gandhi belaagd of gevangengezet. Een grootscheepse propagandacampagne om de discipline en de inzet voor de economische ontwikkeling te vergroten, werd gelanceerd. De verontwaardiging van de kiezers kwam dan ook tot uiting bij de verkiezingen van 1977. Ze werd verslagen en Gandhi verloor haar zetel in het parlement. In 1980 keerde zij echter terug als premier. Vrijwel onmiddellijk werd zij geconfronteerd met ernstige etnische, politieke en religieuze onlusten, voornamelijk in Noord- en Centraal -India. De regerende Congrespartij verloor in verschillende deelstaten al snel haar populariteit. De regionale partijen daarentegen maakten vanaf 1983 een snelle groei door, wat de spanning tussen de centrale regering en de deelstaten nog meer deed toenemen. Punjab In datzelfde jaar verscherpte ook het religieuze conflict. In Punjab ontstonden ernstige spanningen tussen de Sikh -meerderheid en de Hindoes. Sikh -extremisten streven er naar een onafhankelijke staat (Khalistan), en schuwden hierbij geen geweld. De regering probeerde in juni 1984 het meer dan drie jaar durende probleem met de Sikh -separatisten militair op te lossen. Leidde dit tot een belegering van de Gouden Tempel door regeringstroepen. De Sikh leider sneuvelde na vier dagen. Het leger werd de situatie weer meester. In oktober 1984 werd Indira Gandhi door Sikh -lijfwachten vermoord, wat dan weer aanleiding was voor een reeks wraakacties tegen de Sikhs. Zij werd opgevolgd door haar zoon Rajiv Gandhi, die een sterk verdeeld land erfde. De verkiezingen later dat jaar bezorgden hem een ongeziene meerderheid in het parlement. Hij lanceerde een proces van voorzichtige economische liberalisering, en in tegenstelling tot zijn moeder was hij ook meer bereid tot flexibiliteit tegenover de separatisten. Maar nadat de algemene verkiezingen van 1989 de van haar parlementaire meerderheid beroofd had, trad hij af. Uiteindelijk zou hij tijdens de verkiezingscampagne van 1991 door Srilankaanse Tamil -tijgers vermoord worden. Rao werd de nieuwe premier. Samen met zijn minister van financiën startte hij een economisch hervormingsprogramma. India voerde vanaf 1991 een meer liberaal economisch beleid. De reden hiervoor kwam eigenlijk vanuit geopolitieke overwegingen : de veranderingen in de Sovjet-Unie, het gelijktijdig wegvallen van de Sovjethulp aan het land en de snelle economische expansie van Zuidoost -Aziatische landen. De centrale planning werd verminderd en industriële ontwikkeling werd weer aan de privé -sector toevertrouwd. |
MenuList
specific:
