Van Agrar_345-384


Engeland had in de industrialisatie en het ontstaan van de klassenmaatschappij een voortrekkersrol. Er waren voor de industrialisatie diverse soorten arbeiders:
  • geschoolde arbeiders: hadden contact met hun baas, de sociale afstand tussen hen was overbrugbaar
  • geoefende arbeiders: hadden geen scholing maar wel een vaste baan
  • losse arbeiders: moesten afwachten of er werk was

Tijdens de industrialisatie werd de arbeidersklasse steeds meer van de hogere klassen gescheiden. Rond 1880 waren vakbonden van geschoolde arbeiders geaccepteerd, maar de NewUnions van ongeschoolde arbeiders riepen verzet op.

Door het verlies van de TaffValeZaak kwamen de vakbewegingen in verzet en met succes: de uitspraak werd in 1906 door de liberale regering ongedaan gemaakt.

Hierop zagen de vakbonden in dat ze zich meer met politiek moesten gaan bemoeien. Vakbondsleiders waren vaak liberaal, maar rond de eeuwwisseling begonnen ze te twijfelen aan de liberale regering en richtten in 1900 de LabourParty op.

Deze partij groeide al in 1922 over de liberalen heen maar kon verder niet veel klaarspelen.

In tegenstelling tot de vakbonden: die werden machtiger en kreeg steeds meer gedaan voor de arbeiders. Na de EersteWereldoorlog daalden de lonen weer iets, met uiteindelijk als gevolg de GeneralStrike, die met geweld werd bedwongen en waarna de vakbonden weer aan macht moesten inboeten.

Frankrijk kende al voor 1880 een arbeidersklasse. Hier was het grootbedrijf echter nog niet zo invloedrijk, dat kwam pas na 1880 toen de vaderlijke patron steeds onpersoonlijker werd.

Tijdens de crisis van de jaren 1880 werden kleine bedrijfjes weggevaagd en kwamen grote bedrijven in de metaalwereld op. Bij gebrek aan arbeiders werden vrouwen aan het werk gezet. Stakingen kwamen na 1880 ook hier op, maar vakbewegingen waren er niet zoveel.

De belangrijkste was de in 1895 opgerichte Confédération Générale du Travail (CGT). In de jaren 1910 en 1920 nam de invloed van arbeiders toe, na 1917 in een socialistische en communistische tak. De vakbeweging zorgde voor vakanties en een 40-urige werkweek, maar werd een klap toegebracht door de liberale regering van Daladier in 1938.

In Duitsland hadden in het oosten de Junkers de macht gehouden en was het agrarisch gebleven. Bismarck verbood in de SocialistenGesetz (1878) de socialistische partijen maar zorgde wel voor een (beperkte) sociale wetgeving.

Toen socialisten toch 20% van de stemmen kregen in 1890 werd het verbod ingetrokken en ontstond de SPD. Arbeiders werden meer geholpen door de katholieke, ietwat antikapitalistische, kerk dan door de protestantse.

De vakbonden waren goed georganiseerd, al voor 1890, en richtten zich op geleidelijke verbetering. De SPD was marxistisch ingesteld, had hoop op een socialistische staat maar tot die tijd richtte ze zich op het organiseren van de partij en het bereiken van geleidelijke verbetering.

De socialisten werden uitgesloten door andere partijen en gingen zich organiseren in allerlei buiten-politieke verbanden.

Na de EersteWereldOorlog kwamen de socialisten door een revolutionaire ommekeer herhaaldelijk aan de macht in de Weimarrepubliek.

Nadat de socialisten over heel Europa in WO I de kant van hun natie hadden gekozen, kwam er na deze oorlog een internationale socialistische beweging op.

Door een algemene staking en steun aan elkaar konden socialisten en arbeiders een tweede oorlog voorkomen. In Duitsland werd het communisme aangepakt na een poging tot revolutie in 1919 en daarna nietsbetekenend. De arbeiders waren verdeeld in een communistisch, socialistisch en katholiek kamp, de vakbeweging was sterk. De groep erboven van kleine middenstanders voelde zich bedreigd en daar speelden de nationaal-socialisten op in.

In Nederland ontstond niet alleen een arbeidersbeweging, hij verzuilde ook nog eens tot een socialistische, katholieke en protestantse subcultuur. Hier kwam pas laat de industrialisatie op gang, synchroon met landbouwvernieuwing, en het proletariaat groeide geleidelijk.

In diverse sectoren kwamen er proletarische centra, vanaf 1881 vertegenwoordigd door de Sociaal Democratische Bond. In 1894 werd de SDAP opgericht. Zowel SDB als SDAP konden zich vormen naar buitenlands voorbeeld.

Protestanten richtten zich tegen hervormde vrijzinnigheid, achtte vakbonden overbodig en wilde staken verbieden, en katholieken wilden alleen vakbonden in katholiek verband.

Er ontstonden twee volledige zuilen: een protestantse en een katholieke, en daarnaast was er een liberaal zuiltje en een restgroep, onder andere met de socialisten.

VerZuiling bracht niet vaak voordelen voor de arbeiders. Dat werd namelijk vooral bereikt door de socialisten en vakbewegingen.

Confessionele vakbewegingen hadden meestal invloed in de regering via hun politieke partijen, socialistische vakbewegingen onder andere door de stommiteit van PieterJellesTroelstra in mindere mate.

Vakbonden vertegenwoordigden niet alle soorten arbeiders even goed: vrouwen (moesten voor kinderen zorgen), ongeschoolden (brachten kwaliteit in gevaar) en vreemdelingen (waren vreemd) werden niet getolereerd.

Immigranten hadden het dan nog steeds beter dan waar ze vandaan kwamen. Technische verbetering betekende altijd een toevoer van extra arbeid, en daar kwam een probleem voor vakbewegingen.

Arbeiders in den vreemde verdienden weinig en werden geminacht. Tijdens en na de EersteWereldOorlog werd trek over landsgrenzen moeilijker:
  • de staat als eenheid gaat een grotere rol spelen
  • het aantal sociale voorzieningen nam toe en arbeiders die van buitenaf kwamen konden die ook gebruiken
  • men had na 1918 altijd een paspoort nodig

Door de aantrekkingskracht van de industrie, de agrarische crisis van 1873-1895 en de mechanisatie verloor de agrarische wereld veel van haar arbeiders.

Binnen de agrarische wereld bestonden grote verschillen in status tussen grootgrondbezitters (bv. JunKers), grote en kleine boeren en keuters, en landarbeiders. Er was echter wel sociale stijging mogelijk.

Het oprichten van coöperaties van boeren zorgde dat tussenpersonen bij kredietverstrekking, grondstoffen of bewerking van hun producten niet meer nodig waren. Franse en Duitse boeren waren een groot deel van de maatschappij en zorgden voor protectionisme.

Door beter transport werden de afstanden tussen stad en platteland kleiner, extra bevorderd doordat stedelingen het platteland als vakantieoord gingen beschouwen.

De maatschappij bestond voor een groot deel uit arbeiders en middenklasse, en slechts voor 2% uit elite. Die elite bestaat onder andere uit de adel, die tot in de 20e eeuw veel politieke en militaire posten voor zich opeiste.

Adel bleef in Engeland nog tot eind 19e eeuw verboden aan grootgrondbezit. Na 1880 konden ook rijke handelaren in de adelstand verheven worden. Edelen gingen ook naar hun eigen scholen en universiteiten.

Echter grondbezit stond met de agrarische crisis (1873-1895) niet meer garant voor welvaart, waardoor de adel haar heil ging zoeken in ondernemerschap.

Na WO I kwamen er hoge belastingen op bezit, waardoor de adel een hoop moest verkopen of openbaar stellen om dit te kunnen voldoen. De invloed van de adel nam af, en de elite die in 1910 nog 60% van het hele vermogen bezat, had in 1970 nog maar 30%. Er kwam een nieuwe elite voor de adel in de plaats: rijke industriëlen.

Ook de niet-topelite, maar nog steeds rijke mensen uit de plaatselijke sferen konden grote invloed uitoefenen, hoefden vaak na hun 40e niet meer te werken. Zij verloren wel iets van hun dominantie in de 20e eeuw. Naast de sociale elite en de vermogenselite kan ook de hoge burgerij tot de elite gerekend worden.

Oude middengroepen:
  • zelfstandige ambachtslieden, winkeliers, leraren.
Nieuwe middengroepen:
  • klerken, leidinggevenden, ambtenaren, beambten.

Tijdens de industrialisatie nam de oude middenklasse af doordat ze weggeconcurreerd werden door grote bedrijven. De nieuwe middenklasse bestond niet meer uit ondernemers maar uit loonafhankelijke employés.

Deze groep nam toe, maar het totaal aantal ondernemers daalde dus. Er waren overigens wel arbeiders die in de grote steden een eigen bedrijfje begonnen in de hoop op verbetering van hun situatie.

Achter zelfstandige zaken, zoals slijterijen en cafés, schuilde vaak krediet van een grote ondernemer en daarnaast moesten kleine zelfstandigen vaak krediet aanbieden aan hun klanten.

Daardoor slaagde een poging tot opzetten van een onderneming vaak niet. In tegenstelling tot bij arbeiders verslechterden de omstandigheden voor kleine ondernemers en moesten zij met hun gezin lang en hard werken. Ambachtslieden en bedienden konden zich aansluiten bij socialisten, maar ondernemers vonden dat beneden hun stand.

Velen slaagden er toch nog in, onder andere door nieuwe soorten winkels, de afstand tussen hen en arbeiders te bewaren. Ze verdienden ongeveer evenveel als geschoolde arbeiders maar hadden minder kans ontslagen te worden en een betere oude dag.

Veel vrouwen vonden werk als employés, maar zowel bij geschoolde arbeiders als bij de burgerij werd van je verwacht dat je vrouw (en in de burgerij ook je dochters) niet werkte.

Hoewel er contact was tussen de vier sociale groepen (boeren, arbeiders, middenklasse en elite) en men van elkaars bestaan afwist, waren er nog veel dingen onbekend.

De burgerij wist niet hoe armen leefden, het Nederlandse parlement wist in 1887 niet dat veel arbeiders geen oudedagvoorziening hadden.

Sociale mobiliteit was wel mogelijk maar na 1945 veel normaler. Opwaarts kon je als rijke tot de adel toetreden of als arbeider een eigen zaak beginnen of juist vervallen, maar dat was een grote schande.

Uiterlijk waren er grote verschillen tussen standen en klassen. De burgerij was toonaangevend en de middenklasse probeerde haar te imiteren, maar ook de boeren en arbeiders werden beïnvloed door deze burgerij.

Er ontstond een typische arbeiderscultuur met een aantal feestdagen per jaar (afhankelijk van gezindte) en kletsen en kaarten en drinken.

Aan lokale feesten deed iedereen behalve de elite mee. Langzaamaan kreeg de fabrieksklok haar greep op de arbeiders, blauwe maandagen werden uitgebannen. Vakbonden zorgden er (Engeland liep hierin voorop) daarna, in de 19e eeuw, weer voor dat lonen hoger werden, werkdagen korter (12 uur eerst, na 1850 10 uur en na 1870 9) en arbeiders kregen de gelegenheid om hun eigen cultuur te vormen.

Na de EersteWereldOorlog werd overal de 8-urige werkdag ingevoerd, waardoor er veel meer vrije tijd kwam.

Extra geld werd besteed aan betere leefomstandigheden en aan plezier, zoals zuipen en gokken, maar ook muziekconcerten en variétéavonden. Er waren twee uitersten: de cultuur van gokken, zuipen en feesten en de cultuur gestimuleerd door vakbewegingen en kerken, die de arbeiders wilden beschaven.

Engeland liep voor, wat werd bewezen door de music hall (avonden van muziek en amusement), veel piano's in arbeidershuizen en de komst van de bioscoop in 1900-1910, waar die pas later kwam in de rest van Europa (na WO I).

Lonen van vrouwen stegen waardoor vooral niet getrouwde vrouwen zich ontplooiden. Badplaatsen werden in de loop van de 19e eeuw eerst voor middenklasse en later voor arbeiders, die toen ook vrije dagen kregen, toegankelijk (op het Continent pas in de jaren 1930).

De middenstand vond deze ontwikkeling van vrije tijd voor arbeiders goed, maar kerken vonden het maar niks vanwege losbandigheid en onzedelijkheid, filantropen vonden dat arbeiders beter konden gaan leren en vakbonden zagen dat dit soort activiteiten mensen belemmerde aandacht aan de arbeidersbeweging te besteden.

Arbeiders leerden lezen en vanaf de jaren 1920 was er in elk huishouden een krant. Naast filantropen zorgden ook kerken voor informatievoorziening, eigen cultuur, om hun greep op het leven te houden.

Het beschavingsoffensief bereikte veel van haar doelen niet doordat de commercie te sterk was, maar de echt ruwe cultuur verdween wel grotendeels.

Het FeminismE kwam op.

Kerken waren tegen de industrialisatie en verstedelijking, omdat ze het gehele platteland beheerste terwijl in de stad alleen de middenklasse de kerk bezocht. Een aantal ontwikkelingen zorgde dat de kerk na 1870 macht verloor:
  • Wetenschap en politiek boden alternatieven, vooral via het socialisme en de evolutieleer. De letterlijkheid van de BijBel werd betwijfeld via historisch onderzoek, waardoor er een strenge en vrijzinnige stroming in de kerk ontstond.
  • Mensen kregen een grotere greep op hun dagelijkse leven en meenden God daarin niet meer nodig te hebben.

In scholing zaten grote verschillen: in Engeland hield openbaar onderwijs ook een deel religie in, maar in Frankrijk was de staat niet-christelijk en het openbaar onderwijs dus ook.

Duitsers wilden vooral katholieken bestrijden, en Nederlanders streden van 1875 tot 1917 voor subsidies voor aparte christelijke scholen en kregen dit. De verzuiling die hierdoor ontstond zorgde dat de ontkerkelijking vertraagd werd.

Nationale kerken droegen bij aan de vorming van nationale culturen: de gereformeerden in Nederland waren van elkaars wel en wee op de hoogte via een eigen krant en hadden een eigen landelijke partij, de AntiRevolutionairePartij.

Waar vanouds alleen zeelieden, handelaars, trekarbeiders en elite verder keken dan hun directe omgeving, werd dat in de 19e en 20e eeuw anders:
  • door betere wegen en spoorwegen werd vervoer beter, goedkoper en sneller
  • de tijd werd overal gelijkgesteld

De belangstelling voor het hele land nam hierdoor toe, er werd meer gebruik van brieven en telefoon gemaakt. De overheid bevorderde nationale eenwording:
  • door het spreken van de nationale taal te stimuleren
  • door dienstplicht, waardoor mensen uit alle streken bij elkaar kwamen en ook elkaar moesten kunnen verstaan, wat tevens hun horizon verbreedde
  • via onderwijs, kranten

Streken met een sterk afwijkend dialect of een andere taal bleven tweetalig. Opleidingen werden uitgebreider, de eisen van werkgevers werden hoger waardoor werknemers gingen doorleren.

Onderwijs versterkte niet alleen het opleidingsniveau maar ook de nationale eenheid. De uitbreiding van kiesrecht zorgde ook voor een overgang van regionaal niveau, waar de kleine groep kiesgerechtigden zijn vertegenwoordigers kende, naar landelijk niveau met partijen. Sociale zekerheid werd al iets meer een zaak van de nationale overheid.

Massale werkloosheid was een kenmerk van de industriële economie, waarin stedelijke arbeiders na hun werk verloren te hebben geen enkel alternatief meer hadden. Werklozen werden voor WO I beschouwd als paupers en kregen in de crisis van de jaren 1930 een kleine uitkering.

Other pages containing these years:
   1850:
..ustrieleRevolutie
../BaC1/LiberalismE
..H/BaC1/RobertPeel
..me_InfraStructuur
..rialisme_OorZaken
..heWorldS_ChapteR7
../VanAgrar_219-251
../VanAgrar_219-228
..H/BaC1/PalMer_P58
..H/BaC1/PalMer_P60
..H/BaC1/PalMer_P65
..H/BaC1/PalMer_P68
..H/BaC1/PalMer_P70
..H/BaC1/PalMer_P80
..C2/LaVaKl_Deel1H2
..ialeGs_HoofdStuk2
..C2/LaVaKl_Deel2H6
..aleGs_HoofdStuk3a
..nEconomischeGroei
..ialeGs_HoofdStuk5
..C2/RevStaart_H5P6
..StrugglesInFrance
..MissouriCompromis
   1870:
..sPruisischeOorlog
..cH/BaC1/GariBaldi
..InventedTradition
../GescH/BaC1/LeniN
..BaC1/NationalIsme
..langenBehartiging
..volutie_BetekeniS
..HCNieuwsteG_week2
..HCNieuwsteG_week3
..HCNieuwsteG_week4
..euwsteG_2002week2
..euwsteG_2002week3
..euwsteG_2002week4
..leonIII_ProBlemen
..nalIsme_OnderWijs
..WCNieuwsteG_week6
../GescH/BaC1/IsmeS
..H/BaC1/PalMer_P26
..H/BaC1/PalMer_P63
..H/BaC1/PalMer_P64
..H/BaC1/PalMer_P68
..H/BaC1/PalMer_P78
..H/BaC1/PalMer_P82
..H/BaC1/PalMer_P84
..H/BaC1/PalMer_P85
..H/BaC1/PalMer_P91
..aleGs_HoofdStuk2a
..C2/LaVaKl_Deel2H1
..aticaanseConcilie
..C2/LaVaKl_Deel2H6
..BaC2/HaagseSchool
..C2/LaVaKl_Deel2H9
..2/LaVaKl_Deel2H10
..2/LaVaKl_Deel2H11
..2/LaVaKl_Deel2H13
..2/LaVaKl_Deel2H15
..aleGs_HoofdStuk3a
..ialeGs_HoofdStuk5
..C2/RevStaart_H5P1
..H/BaC1/PalMer_P52
..TheorieI_HoorCol7
..C1/SchlieffenPlan
..cH/BaC1/GladStone
   1873:
..WCNieuwsteG_week5
..C2/LaVaKl_Deel2H9
   1875:
..sischTurkseOorlog
..WCNieuwsteG_week5
   1878:
..sischTurkseOorlog
..SocialistenGesetz
..WCNieuwsteG_week6
..C2/LaVaKl_Deel2H5
   1880:
..heorieII_HoorCol7
..WCNieuwsteG_week6
..aleGs_HoofdStuk2a
..C2/LaVaKl_Deel2H5
..C2/LaVaKl_Deel2H6
..C2/LaVaKl_Deel2H9
..2/LaVaKl_Deel2H11
..2/LaVaKl_Deel2H15
..C2/LaVaKl_Deel3H6
..aleGs_HoofdStuk3a
..WCNieuwsteG_week5
..rnThVDFi_HoofdSt3
..scH/BaC1/DisraEli
..dGs_TentamenDeel2
   1881:
../BaC1/AlexanderII
..WCNieuwsteG_week6
..H/BaC1/PalMer_P67
..H/BaC1/PalMer_P91
..C2/LaVaKl_Deel2H9
   1887:
..C2/LaVaKl_Deel2H3
..C2/LaVaKl_Deel2H5
..GescH/BaC2/DoMela
..C2/LaVaKl_Deel2H9
..2/LaVaKl_Deel2H10
..2/LaVaKl_Deel2H11
..C2/LaVaKl_Deel3H5
   1890:
..InventedTradition
..NieuwImperialisme
..heorieII_HoorCol7
..H/BaC1/PalMer_P79
..H/BaC1/PalMer_P91
RuG/GescH/BaC1/HiP
..C2/LaVaKl_Deel2H6
..C2/LaVaKl_Deel2H8
..C2/LaVaKl_Deel2H9
..2/LaVaKl_Deel2H10
..2/LaVaKl_Deel2H11
..aleGs_HoofdStuk2a
..heWorldS_ChapteR3
   1894:
..WCNieuwsteG_week6
..H/BaC1/PalMer_P83
..H/BaC1/PalMer_P85
..2/LombokExpeditie
..cH/BaC2/TakKianen
RuG/GescH/BaC2/SDB
..G/GescH/BaC2/SDAP
..2/LaVaKl_Deel2H12
..C1/DreyfusAffaire
   1895:
../AlliantieStelsel
../InnovatieTheorie
../VanAgrar_279-289
..H/BaC1/PalMer_P83
..C2/LaVaKl_Deel2H6
..C2/LaVaKl_Deel2H9
..aleGs_HoofdStuk3a
   1900:
../GescH/BaC1/LeniN
..1/RationalIsering
..H/BaC1/VerZuiling
..euwsteG_2002week4
..rialisme_OorZaken
..S_ChapteR1UitgebR
..H/BaC1/PalMer_P78
..H/BaC1/PalMer_P81
RuG/GescH/BaC1/HiP
..aleGs_HoofdStuk2a
..C2/LaVaKl_Deel2H6
..C2/LaVaKl_Deel2H9
..2/LaVaKl_Deel2H15
..ialeGs_HoofdStuk3
..aleGs_HoofdStuk3a
..ialeGs_HoofdStuk5
..aleGs_HoofdStuk5a
..heWorldS_ChapteR3
..eWorldS_ChapteR11
..ie/BaC1/NietzSche
   1906:
..ischJapanseOorlog
..BaC1/TaffValeZaak
..H/BaC1/PalMer_P82
..H/BaC1/PalMer_P99
..BaC2/LiberaleUnie
..heWorldS_ChapteR3
..dS_ChpterRUitgebr
ForuM/HannahArendt
..ofie/BaC1/LeVinas
..C1/DreyfusAffaire
../BaC1/GeorgeLloyd
   1910:
..1/PiltdownSchedel
..heWorldS_ChapteR5
..aleGs_HoofdStuk2a
..heWorldS_ChapteR3
..eWorldS_ChapteR11
   1917:
..ussischeRevolutie
..H/BaC1/SovjetUnie
..H/BaC1/SowjetUnie
..GescH/BaC1/StaLin
..S_ChapteR1UitgebR
..H/BaC1/PalMer_P26
..H/BaC1/PalMer_P87
..C2/LaVaKl_Deel1H5
..GescH/BaC1/EeDesO
..2/GoemanBorgesius
..2/LaVaKl_Deel2H14
..2/LaVaKl_Deel2H15
..GescH/BaC2/LaVaKl
..C2/LaVaKl_Deel3H2
..heWorldS_ChapteR3
..dS_ChpterRUitgebr
..Sofie/BaC1/SartrE
..dGs_TentamenDeel2
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1918:
..erJellesTroelstra
../DeVeertienPunten
..ersteWereldoorlog
..eeVanDeNatieStaat
..BaC1/NationalIsme
..H/BaC1/SowjetUnie
..EnFranseRevolutie
..H/BaC1/VersailLes
..cH/BaC1/WilhelmII
..enPunten_VollediG
..HCNieuwsteG_week2
..euwsteG_2002week2
../GescH/BaC1/IsmeS
..H/BaC1/PalMer_P60
..H/BaC1/PalMer_P87
..H/BaC1/PalMer_P88
..aleGs_HoofdStuk2a
..GescH/BaC1/EeDesO
..2/LaVaKl_Deel2H14
..C2/LaVaKl_Deel3H3
..C2/LaVaKl_Deel3H4
..C2/LaVaKl_Deel3H6
..2/LaVaKl_Deel3H13
ForuM/PanIiP
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1919:
..dragVanVersailles
..S_ChapteR1UitgebR
..H/BaC1/PalMer_P90
..H/BaC1/PalMer_P98
..H/BaC1/PalMer_P97
..H/BaC1/PalMer_P99
../BaC1/PalMer_P103
..2/LaVaKl_Deel2H12
..C2/LaVaKl_Deel3H4
..boWiersma/HistorY
..heWorldS_ChapteR3
../BaC3/CollingWood
..dS_ChpterRUitgebr
   1920:
..H/BaC1/KappPutsch
..tischeVolksPartij
..GescH/BaC1/StaLin
..oorlogse expansie
..C1/HitLer_OpKomst
..H/BaC1/PalMer_P98
../BaC1/PalMer_P103
..heWorldS_ChapteR5
..C2/LaVaKl_Deel3H5
..aleGs_HoofdStuk5a
..heWorldS_ChapteR3
..Sofie/BaC1/SartrE
..aC1/CharlesDarwin
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1922:
..H/BaC1/MarsOpRome
..H/BaC1/SowjetUnie
..H/BaC1/PalMer_P97
..H/BaC1/PalMer_P98
..H/BaC1/PalMer_P99
../BaC1/PalMer_P102
..GescH/BaC2/KuyPer
..GescH/BaC2/ColijN
..VerdragVanRapallo
..e/BaC1/ThomasKuhn
   1930:
..cH/BaC1/FeminismE
..GescH/BaC1/JapPen
..GescH/BaC1/NasSer
..tischeVolksPartij
..C1/ProtectionismE
..GescH/BaC1/StaLin
..H/BaC1/VerZuiling
..lingCollege72kern
..isis_MiddenOosten
..oefTentamenVadney
..heWorldS_ChapteR3
..heWorldS_ChapteR8
../BaC3/CollingWood
..heWorldS_ChapteR7
   1938:
..aC1/KristallNacht
..mdLing_3.3.3 Azië
..S_ChapteR1UitgebR
../BaC1/PalMer_P101
../BaC1/PalMer_P103
../BaC1/PalMer_P104
../BaC1/PalMer_P105
..heWorldS_ChapteR3
../BaC3/CollingWood
   1945:
..aC1/BumaOffensief
..C1/BurmaOffensief
..scH/BaC1/HiroHito
..cH/BaC1/HiroShima
..GescH/BaC1/HitLer
../GescH/BaC1/JalTa
..GescH/BaC1/JapPen
../BaC1/KoudeOorlog
..scH/BaC1/NagaSaki
..GescH/BaC1/NasSer
../NeoCollectivisme
..escH/BaC1/Potsdam
..cH/BaC1/RooseVelt
..GescH/BaC1/TruMan
..weedeWereldoorlog
..Ling_1. Inleiding
.. en koersbepaling
..C1/FremdLing_1-11
..1/HCEigentG_week2
..oefTentamenVadney
..heWorldS_ChapteR1
..S_ChapteR1UitgebR
..nEnGebeurtenissen
..1/WCEigentG_week2
..1/WCEigentG_week3
../BaC1/PalMer_P107
..G_ArtikelNapoleon
..heWorldS_ChapteR5
..heWorldS_ChapteR2
..GescH/BaC2/LaVaKl
RuG/GescH/BaC1/HiP
RuG/GescH/BaC2/NVB
..2/LaVaKl_Deel3H11
RuG/GescH/BaC2/CPB
RuG/GescH/BaC2/EVC
..2/LaVaKl_Deel3H13
..G/GescH/BaC2/PVDA
..C2/LaVaKl_Deel4H4
..C2/LaVaKl_Deel4H5
..C2/LaVaKl_Deel4H7
..heWorldS_ChapteR3
..eWorldS_ChapteR12
../BaC3/CollingWood
..dS_ChpterRUitgebr
..heWorldS_ChapteR7
..dGs_TentamenDeel2
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen
   1970:
..een markteconomie
..1 Latijns Amerika
..mdLing_3.3.3 Azië
..anden van de OESO
..eWorldS_ChapteR11
..nEnGebeurtenissen
..heWorldS_ChapteR5
..aleGs_HoofdStuk2a
..ialeGs_HoofdStuk1
..C2/LaVaKl_Deel4H7
..C2/LaVaKl_Deel4H8
..C2/KabouterPartij
..C2/LaVaKl_Deel4H9
..2/LaVaKl_Deel4H11
..MinderhedenBeleid
..2/LaVaKl_Deel4H17
..dingenEnVakbonden
..TheorieI_HoorCol2
..aC3/NancyStruever
..TheorieI_HoorCol4
..eWorldS_ChapteR12
..heWorldS_ChapteR8
..eWorldS_ChapteR10
..sNotesOnAnarchism
..Sofie/BaC1/CarNap
..fie/BaC1/FouCault
../HCNedGs_Vragen1B
..Gs_WerkboekVragen

Part of the LogiLogi Network: The LogiLogi Foundation - LogiLogi.org - OgOg.org
This is an old version for archival purposes, see www.LogiLogi.org for the current version.
< Edit this document | View history | Printer friendly (inc. links) >
Visited 3035 times
Document last modified Sun, 12 Oct 2003 06:05:54
All content is available under the GNU Free Documentation License. The LogiLogi-system is under the GPL
SourceForge.net Logo Zylon Internet Services-Groningen Logo
Visitor statistics