Hoorcollege Nederlandse Geschiedenis _ Werkboek VragenZeer de moeite waard om te bestuderen, ook al behoort het werkboek niet meer tot de stof. Vragen Nederlandse geschiedenis 1b tipjes: bosscher vindt Nanda van der Zee tof, dus verwerk het in je tentamen als een extraatje. bosscher is een PvdA man, Wallage's uitleg over de bijzonderheid van paars 'móet' dus wel waar zijn (VVD en PvdA ontmoetten elkaar in het midden, waardoor oppositie niet goed mogelijk was, en het CDA was ook niet bekend met oppositie, werd slap en saai). het échte rooms rode kabinet was Beel I. ARP's soevereiniteit in eigen kring en KVP's subsidiariteitsbeginsel, dus invloed van de staat is niet zozeer gewenst. de socialisten wilden dit juist wel, want met de centen van de belastingbetalers werd het beleid uitgevoerd door een (politiek) gekleurde groep (met een boodschap) met overheidssubsidies. zo lijkt het dus alsof men de goede zorgen aan de verzuilde katholieke en gereformeerde instellingen te danken hadden, terwijl dit eigenlijk niet zo was. Kritiek van Multatuli en Fransen vd Putten is ook belangrijk. en wat ik vandaag opmerkte op de terugweg in de trein (clingendael) is dat je de uitzonderingen, dus de discontinuïteiten moet weten in de kabinetssamenstellingen. dus wanneer kwamen de liberalen erin, wanneer de socialisten, wanneer eruit enzenz. 1) Sinds de invoering van de evenredige vertegenwoordiging (1917) aanmerkelijk in invloed toegenomen, hebben de Algemeene Bond en, sedert 1926 de RKSP, een politieke hoofdrol in Nederland gespeeld. Met uitzondering van het vijfde van Colijn, dat maar een paar dagen geleefd heeft, is er tussen 1918 en 1940 geen kabinet zonder katholieken geweest. In de jaren 1918–1925 en 1929–1933 was een katholiek (Charles Joseph Marie Ruijs de Beerenbrouck) minister-president. Onmiskenbaar was echter in deze periode de verzwakking van de antithesegedachte. De Coalitie had sinds de financiële gelijkstelling van de lagere scholen (1917) veel van haar zin verloren; de met medewerking van een deel van de coalitiegenoten doorgedreven opheffing van het gezantschap bij de Heilige Stoel (1925) bracht zelfs een tijdelijke breuk teweeg. Colijn wilde dus het calvinisme, en hield lang vast aan de gouden standaard. Mensen hadden steeds minder te besteden, het was een neerwaartse spiraal. De katholieken moesten een vuist maken tegen Colijn en dit kwam in 1939 met de motie Deckers, toen moest Colijn opstappen. De bezuinigingspolitiek van Hendrikus Colijn wekte in het katholieke volksdeel een weerstand op, die voedsel betekende voor de reeds lang bij velen levende neiging tot toenadering tot de sociaal-democraten. Pogingen, in 1925 door de vrijzinnig-democratische fractievoorzitter H.P. Marchant ondernomen tot vorming van een kabinet uit katholieken, socialisten en vrijzinnig-democraten, stuitten echter af op de volstrekte afwijzing door de katholieke fractieleider Nolens. Ook latere aftastingen hadden een negatief resultaat. Vermaningen van de bisschoppen waren daaraan niet vreemd. Na de mislukking van het vijfde kabinet-Colijn (1939) werd de door Nolens geconditioneerde ‘uiterste noodzaak’ bereikt geacht en namen katholieken en socialisten zitting in het tweede kabinet-De Geer (1939–1940), zij het naast enige christelijk-historische, antirevolutionaire en liberale figuren. Na de Tweede Wereldoorlog werd de RKSP opgeheven. De Katholieke Volkspartij kan als haar voortzetting worden beschouwd. 2) De tweede pacificatie was in 1939, na de eerste in 1917/1918. Nederland was als de dood voor de socialisten. In 1939 ging de RKSP naar de SDAP, hieruit kwam de Motie Deckers, dit betekende een linksere coalitie, een rooms-rood kabinet (De Geer) met een klein CHU-randje (De Geer was van de CHU). 3) Nadat de voorlopige Staten-Generaal op 20 nov. 1945 bijeen waren gekomen, werden op 17 mei 1946 de eerste verkiezingen gehouden. Het belangrijkste gegeven was dat de door de PvdA gehoopte ‘doorbraak’ was mislukt: de PvdA kreeg een lager percentage van de stemmen dan de in deze partij samengekomen groeperingen vóór de oorlog hadden behaald. Door de fusie met de SDAP, Vrijzinnige Democraten en de CDU had de PvdA 31 zetels moeten krijgen, maar het werden er slechts 29. Er kwam een algemeen progressief programma. De confessionele partijen wisten zich daarentegen te handhaven. De CPN maakte een grote opgang. De KVP streefde naar regeringssamenwerking met de PvdA en in juli kwam het kabinet-Beel tot stand, dat geheel bestond uit vertegenwoordigers van beide partijen en een aantal politiek daklozen. Even over vraag drie, de partij die het meest van de afschaffing van het districtenstelsel heeft geprofiteerd, moet volgens mij niet het pvda zijn maar de kvp, in ieder geval de katholieken, omdat ze zo'n 1/3 van de bevolking uitmaakten, maar juist sterk geconcentreerd waren in noord-brabant en limburg (vroegere generaliteitslanden). ey de groeten! xxx marene. Vraag 4 In de jaren zestig is door sommigen de invoering van het districtenstelsel bepleit. Waarom? Hoe valt te verklaren dat deze roep is verstomd? De jaren zestig brachten een frontale aanval op de traditionele gezagsverhoudingen. De oude generatie politici had Nederland na de oorlog weten op te bouwen, maar door de ontzuiling die zijn intrede deed in de jaren zestig werd hun eigen machtsbasis ondergraven. Steeds meer mensen voelden zich niet meer verbonden aan de bepaalde politieke partij met als gevolg dat het aantal zwevende kiezers begon te stijgen. De politieke partijen konden niet meer rekenen op hun vaste achterban. De nieuwe generatie politici werd hier onzeker van waardoor er ruimte ontstond voor een ‘participatiedemocratie’. Vooral de links-radicalen wouden dat de mensen meer invloed zouden krijgen op het politieke besluitvormingssysteem in Nederland. Het bekendste voorbeeld van deze radicale jongeren beweging is de Provo. Maar ook studenten- en vrouwenbewegingen. De politieke radicalisering van de studenten werd ook gestimuleerd door het wegebben van de koude oorlog en de verbeterde relatie met de SU. In de partijpolitiek vormde D66 onder leiding van H.A.F.M.O. van Mierlo het streven naar de ‘participatiedemocratie’. Deze politiek progressieve partij wou het politieke systeem opblazen. Ook de linkse afdeling van de PvdA zag hier ook wel wat in. Om dit te bewerkstelligen wilde men over gaan tot een tweepartijensysteem ook wel het Westminster-model genoemd. De bestaande politieke partijen moesten uiteenvallen in twee blokken. Aan de ene kant een progressief en aan de andere kant een conservatief blok. Hiertoe bepleite men een districtenstelsel om meer duidelijkheid van bovenaf en meer inspraak van onderaf te verkrijgen. Dit kreeg men echter niet voor elkaar doordat het schaduwkabinet van de PvdA, D66 en PPR dat deze plannen voorstond geen meerderheid kreeg in de verkiezingen van 1971 en 1972. Men ging twijfelen aan de noodzaak van de polarisatiestrategie. De plannen liepen dus stuk op een gebrek aan zetelwinst. Vraag 5 Hoe valt de langdurige oppositie van de ARP (1939-1952) te verklaren? Op het eerste gezicht was Nederland vast in handen van de confessionele politiek waaronder ook de ARP. Vooral onder Colijn beleefde de ARP zijn hoogtepunt en zijn dieptepunt. Colijn leidde het land door de economische crisis van de jaren ’30 maar kwam er niet zonder problemen weer uit. Vooral de samenwerking tussen coalitiepartners RKSP en ARP verliep steeds moeizamer. Volgens de achterban liet de RKSP teveel over zich heen lopen door de ARP wat leidde tot een breuk. Na de oorlog kwam de ARP er gewoon niet meer aan te pas. De vernieuwde KVP en SDAP, later PvdA gingen samenwerken in de Rooms-rode kabinetten die het land probeerden op te bouwen. Vraag 6 Hoe verhouden antithese en Doorbraak zich tot elkaar? Met de doorbraak politiek probeerde ook de PvdA een verandering in het verzuilde systeem te provoceren. De doorbraak gedachte kwam er op neer dat de PvdA open stond voor personen en groepen van verschillende levensovertuigingen zolang zij de sociaal-democratische beginselen van de partij maar voorstonden. In dit opzicht verhoudt de Doorbraak zich geheel tot de antithese. In de politiek speelde ook het vraagstuk van de these en antithese. Hierbij hield de antithese in dat een politieke partij niet gefundeerd moest zijn op de beginselen van een godsdienst maar op politieke ideeën zoals de sociaal-democratische ideeën van de PvdA. Dus zowel de Doorbraak politiek als de antithese stellen dus dat het binnen een partij moet gaan om de politieke ideeën en niet om iemands levensovertuiging. Vraag 7 Hoe moet de ‘vlucht’ van koningin Wilhelmina in 1940 worden beoordeeld? Het vertrek van de koningin op 13 mei kwam onverwacht. Nog de dag tevoren had kroonprinses Juliana aangegeven niet van plan te zijn te vluchtten. Maar toch vertrok de koningin met in haar voetspoor het kabinet. Vaak wordt deze daad gezien als een laffe vlucht, het land verlaten terwijl er nog gevochten wordt. In Zeeland werden er nog steeds hevige gevechten gevoerd en men had zich nog niet overgegeven. Er gaat dan ook een verhaal dat de Koningin haar toevlucht wou zoeken in Zeeland of Zeeuws-Vlaanderen. Maar uiteindelijk week ze toch uit naar Londen met als doel van daaruit het land zo goed mogelijk te besturen. Of er nou daadwerkelijk sprake was van een vlucht of van een weloverwogen zet om het landsbestuur te behouden is niet duidelijk. Vraag 8 Welke ontwikkelingsgang heeft de beoordeling van de strijd in mei 1940 doorgemaakt? [10 mei vielen de Duitsers onverwacht Nederland binnen; onverwacht doordat het vele keren was uitgesteld door slecht weer. Wilhelmina vertrok met de regering en Juliana’s gezin naar Londen. Het Nederlandse volk voelde zich in de steek gelaten, maar Wilhelmina zei dat ze in Londen beter kon verder strijden en zou vele radiotoespraken houden. Volgens Nanda van der Zee was het een persoonlijke beraamde vlucht, er was geen sprake van het willen uitwijken naar het nog vrije Zeeland, dit zijn heldhaftige verhalen achteraf. ] De strijd van de meidagen werd direct na de oorlog omgeven door mythes. Bij de strijd om de Grebbeberg zouden Duitser met SS-elitetroepen, opgepept door alcohol en heroïne, onze soldaten hebben bevochten en daarbij allerlei misdrijven, daden in strijd met het oorlogsrecht, hebben gepleegd; Loe de Jong in deel 3 van ‘Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’. Het is niet waar dat Nederland door zijn neutraliteitspolitiek en zijn geringe defensie-inspanningen de oorlog van mei 1940 al in de jaren twintig en dertig had verloren. H. Amersfoort zegt dat Nederland met zijn defensiepolitiek helemaal geen opvallend slecht figuur sloeg onder de grote en kleine staten van Europa en kan de Nederlandse vooroorlogse militaire en politieke leiders eigenlijk weinig of niets worden verweten. Vijftig jaar later wordt De Jong van zijn troon gestoten door jonge historici, die vinden dat zijn verhalen op hun feitelijke correctheid moeten worden onderzocht. Zij pleiten voor geschiedschrijving die ‘niet door eigen ervaringen is vertekend’ en een veel breder perspectief, bijv. 1920-1970 (nog wel respect voor De Jong). Er moet een herinterpretatie komen en vergelijking met buitenlandse oorlogservaringen. Zowel buiten als binnen het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie wordt gepleit voor minder dramatische beeldvorming en voor een nieuwe opzet van het instituut zelf. Klein wil van het RIOD een onderzoekinstituut voor contemporaine geschiedenis maken, waarin de ontwikkeling van Nederland in een breed Europees verband systematisch wordt bestudeerd. Het plan van A.F. Manning uit de jaren ’70 is dus weer uit de prullenbak gehaald. Andere kernpunten, bijvoorbeeld de naoorlogse, door de dekolonisatie ontsierde, wederopbouwtijd mag centraal komen te staan. Klein wil zeggen dat De Jongs hoofdthema’s: jodenvervolging, collaboratie en de rol van koningin Wilhelmina, nu wel genoeg zijn uitgespit. Vraag 9 Welke ontwikkelingsgang heeft de beoordeling van de rol van het Nederlandse volk in de Tweede Wereldoorlog doorgemaakt? Er is sprake van een conjunctuur- of golfbeweging. Direct na de oorlog ontkende iedereen dat je de kat uit de boom keek, maar direct in verzet kwam. Twijfelaars waren verraders, 100% verzetsvolk. Boeken en films met helden bewezen het. Er was een grote terughoudendheid om over de isolering (ariërverklaring vd ambtenaren) en de daaropvolgende vernietiging van de joden te spreken. Als snel ontstond de mythe dat de joden in de niet-joodse bevolking trouwe helpers en bondgenoten hadden gevonden. Deze helpersmythe wordt geformuleerd in de strijdkreet die Wilhelmina voor Amsterdam formuleerde: Heldhaftig, Vastberaden, Barmhartig i.v.m. de Februaristaking in 1942. Er kwam ook een monument als dank voor de Nederlandse ‘bescherming’. In de jaren zestig werd de moord op de joden vooral gezien als een collectief falen van de ouderlijke generatie. Twintigjarigen hadden het idee van een verkalkte maatschappij. Mensen van veertig jaar en ouder waren niet te vertrouwen, zij waren namelijk niet eerlijk aan de macht gekomen (op universiteiten repressief, die hadden nl. angst voor verwoesting vd wederopbouw). Zij moesten worden bestreden met opgeblazen oorlogsgeschiedenis. I.p.v. te veel helden kwamen er nu te veel lafaards. Vanaf dat moment werd de WO II ingezet als didactisch hulpmiddel dat vooral moest dienen voor het tijdig onderkennen van ‘herlevend fascisme en racisme’. Deze trivialisering ging ver. Politie werd standaard voor fascisten uitgescholden. Historische analyse en moreel oordeel werden in toenemende mate vrijwel onscheidbaar. Deze ontwikkeling werd doorbroken. Zonder bewijs, zoek dan naar bewijs. Er was geen geringe collaboratie. Beeldvorming sloeg andersom door wegens historische literatuur en wantrouwen. Brede definitie Collaboratie = elk sterven de oorlog door te komen. Verzet smalle definitie = actief je eigen leven in gevaar brengen. Dit gevormd in ‘60s. wegens behoefte consensus – dikke deken weg en culturele schommeling kop indrukken. Mate van collaboratie hing vd Duitsers af, welke vormen wilden zij? Vraag 10 Hoe valt te verklaren dat vanuit Nederland het (na Polen) hoogste percentage van de joodse bevolking is weggevoerd en omgebracht? Nederlandse volk was gezagsgetrouw en werkte hard, vooral in de administratie. Door persoonsbewijzen konden Joden zo uit de kaartenbak worden gepikt. Nederlandse methode was legalistisch, door het aanvankelijke correcte gedrag van de Duitsers, hielden ze vast aan schendingen van het oorlogsrecht, naïef. Volgens Nanda van der Zee nam Wilhelmina met haar vlucht geen verantwoordelijkheid, waardoor het volk dit ook niet deed (schuldvraag). Het ging economisch net weer een beetje beter, dus wilde men zijn baan houden mét de Duitsers. De enige onderduikmanier was in eigen huis, wat maanden/jaren aan ontwikkeling van de onderduikorganisatie kostte. Uit angst werd er veel geweigerd, Veluwe/Limburg wilden wel graag, nl. geen grote steden en dus weinig joden zonder getto’s. Ook waren er proeven omdat sommige zich niet aan de regels hielden. Vraag 11 Hoe is de protestgeneratie van de jaren zestig omgegaan met het oorlogsverleden? De politieke partijen konden in de jaren zestig niet meer rekenen op hun vaste achterban. De nieuwe generatie politici bezetten rap het gehele politieke veld nadat de oude garde moe, maar voldaan afscheid nam. Een groot onderdeel van die nieuwe generatie politici bestond uit links-radicalen die opkwamen door het grote aandeel zwevende kiezers die wilden participeren in de politiek -> de participatiedemocratie. Deze groep links-radicale politici bestond uit twintigers die dus vlak voor of tijdens de oorlog waren geboren en weinig bewust hadden meegemaakt. De begrippen ‘goed’ en ‘fout’ kregen een nieuwe en veel sterkere lading. Mensen die ooit ‘fout’ waren geweest (dus op de een of andere wijze het Duitse regime niet hadden tegengewerkt), werden geweerd en sterk veroordeeld, mensen die zich tegen het Duitse regime hadden gekeerd waren ‘goed’ en dus bewonderenswaardig. De nieuwe politici identificeerden zich met de ‘goede’, actieve mensen uit het verzet door de link die zij legden tussen de passieve bevolking en collaborerende regenten en hun eigen achtergrond waarin conformisme en gezapigheid de norm waren. Ze identificeerden zich zo sterk met het verzet dat zij het idee hadden zelf nog steeds verzet te moeten bieden tegen gezagsdragers. Het belangrijkste voorbeeld van een dergelijke groep is de Provo-beweging. Vraag 12 Hoe verhouden Nederlandsche Unie en Nederlandse Volksbeweging zich tot elkaar? De Nederlandsche Unie bestond tussen 1939 en 1941 en kwam voort uit een wens van een deel van de Nederlandse Gemeenschap naar nationale samenwerking. De groei van het initiatief was naar aanleiding van de Duitse dreiging om eenheid in het Nederlandse volk te creëren. De Unie hinkte dus op twee gedachten; enerzijds de wens naar het eigene, het Nederlandse en anderzijds ging het uit van het falen van het vooroorlogse bestel. De overeenkomst met de later opgerichte Nederlandse Volksbeweging is dat beide streefden naar een nieuwe vorm van saamhorigheid. De interne strubbelingen binnen de NU groeiden, tot in december 1941 alle politieke partijen behalve de NSB verboden werden en de NU zichzelf ophief. In juni en oktober 1940 werden een aantal vooraanstaande Nederlanders, waaronder NU-leden in gijzeling genomen door de Duitsers in en uiteindelijk met wat verse gijzelaars naar St. Michielsgestel overgebracht in 1942. In ‘Gestel’ broedden de gijzelaars, waaronder ds. Banning en Schermerhorn, op de vormgeving van de gewenste vernieuwing van de Nederlandse samenleving. Deze vernieuwing was nodig, omdat de klassenstrijd en de anti-these beide achterhaald werden geacht. Na de bevrijding van Nederland werd op 24 mei 1945 de Nederlandse Volksbeweging opgericht met Schermerhorn als leider. De NVB werd geen partij, maar zocht juist aansluiting bij alle partijen. Uiteindelijk zijn de initiatiefnemers bij de SDAP terechtgekomen die zodoende werd omgevormd tot de PvdA, waarmee het experiment van eenheid alsnog werd uitgevoerd, maar niet succesvol bleek. De NVB is mede opgericht door ex-NU-leden en de beide organisaties delen een groot gedeelte van hun ideologie, namelijk het vormen van een eenheid binnen de bevolking. Vraag 13 Wat is de politieke betekenis geweest van het gijzelaarskamp in ‘Gestel’? In het gijzelaarskamp daar werd de aanzet gegeven tot de vorming van de NVB die bij vraag 12 al is besproken. Uit deze NVB kwam niet direct een politieke partij voort, maar de NVB zocht aansluiting bij alle andere partijen in Nederland om deze samen te voegen en eenheid en saamhorigheid uit te dragen. Dit initiatief vindt nauwelijks weerklank. De CDU had zichzelf wegens ‘foutheid’ al opgeheven, de RKSP ging door onder de naam KVP, de ARP kwam gewoon weer terug, nadat zij zich als schaduwpartij had gedragen tijdens WO II, CHU kwam terug, hoewel de aanhang overging naar de PvdA en de CPN kwam ook weer terug. Alleen de SDAP en VDB voelden wel wat voor het initiatief onder leiding van Schermerhorn. Deze partijen werden samen met van Walsem + wat aanhang van de CHU en de CDU-stemmers omgesmolten tot de PvdA, de partij van de progressieven. De PvdA was overigens in die tijd, absoluut niet het verlengstuk van de SDAP, wat het later, na het verkiezingsverlies, overigens wel weer werd. De PvdA als initiatief tot bevordering van de eenheid kan dus gezien worden als voortvloeisel uit de discussies in het gijzelaarskamp ‘Gestel’. Vraag 14 Is de rooms-rode coalitie in de Nederlandse geschiedenis een kwestie geweest van ‘uiterste noodzaak’? Lange tijd is gedacht dat de rooms-rode coalitie uiterste noodzaak was naar aanleiding van de Nolens-doctrine. Geestelijke Nolens zou in de jaren ’20 gezegd hebben dat de RKSP/KVP alleen in uiterste nood met rood zou moeten regeren, maar zijn uitspraak is verkeerd geïnterpreteerd. Hij bedoelde eigenlijk dat de traditie zo was, dat de RKSP/KVP nooit met rood regeerde, maar wilde de anderen erop voorbereiden dat het misschien wel kon gebeuren. Sterker nog, hij was helemaal geen tegenstander van de socialisten. In die zin was het geen ‘uiterste noodzaak’, maar het was wel degelijk noodzakelijk om het voortbestaan van de KVP in haar huidige vorm en omvang veilig te stellen. Op het moment dat de KVP de PvdA buiten zou sluiten zou zij haar grote aanhang van arme, katholieke arbeiders verliezen en daarmee haar kans op regeringsdeelname. Na de veiligstelling van de welvaart voor iedereen en arbeiders in het bijzonder, besloot de KVP dat het welletjes was geweest en bracht haar gematigde rechtse gezicht weer naar buiten. Vraag 15 Valt er wat samenwerking tussen SDAP/RKSP en PvdA/KVP betreft te spreken van een natuurlijk bondgenootschap? Leg uit. Ja, omdat beide een groot gedeelte van de arbeidersgemeenschap vertegenwoordigen en beide inzetten op een betere inzet en verdeling van kapitaal en arbeid. Dit vind ik een te kleine reden om ja te antwoorden. Mijn antwoord is dan ook ‘Nee’. Nee, omdat zij daarin op het cruciale punt van de rol van de overheid daarin van mening verschillen. De SDAP/PvdA wilde de rol van overheid vergroten en overheidscontrole, zodat iedereen een gelijk deel zou krijgen, terwijl de RKSP/KVP zoveel mogelijk over wil laten aan het bedrijfsleven. Daarnaast wilde de KVP niet met alleen de PvdA regeren, maar moest er altijd nog een partij deelnemen aan de coalitie om de KVP te steunen en een goede meerderheid in de Tweede Kamer veilig te stellen. ey nog wat over vraag vijftien, denk nog wel aan het subsidiariteitsbeginsel, waarbij de overheid als hoogste politieke orgaan wordt gezien door de KVP (i.t.t. de ARP met 'souvereiniteit in eigen kring'), dus da's een overeenkomst met SDAP/PvdA. maar 'nee' zal ik denk ik ook eerder kiezen, omdat in de vraag 'natuurlijk' bondgenootschap staat. en ik vind dat dat een indruk geeft van 'altijd' en als er in een vraag altijd of nooit o.i.d. staat dan is het altijd fout (generalisatie). of denk ik nu weer te diep?? Vraag 16 Leg het verschil uit tussen ontkerstening en ontzuiling. De ontkerstening van met name katholieken kwam voort uit de seksuele revolutie en het iets vrijer laten van mensen in persoonlijke keuzes. De katholieke geestelijken probeerden het tij nog te keren door onder andere het Mandement van 1954 en kreeg hierdoor wel een gedeelte van haar aanhang weer terug, maar het begin was er. De ontzuiling die volgde op de ontkerstening hield eveneens vooral huis bij de katholieken die zichzelf als progressief zagen. Zij stelden de greep van de katholieke kerk op het maatschappelijk leven ter discussie. In ongekend hoog tempo werden de instellingen van de verzuiling afgebroken. Vooral de Hervormde Gemeente zag de noodzaak hier van in en bevorderde de ontzuiling. De ontzuiling van Nederland kan gezien worden als een gevolg van de ontkerstening van met name katholieken. daar ben ik weer: vraag 16 over ontkerstening: kerst komt van christus, ontkerstening betekent dus gewoon leegloop uit de kerk, niet meer geloven en kiezen voor een niet-confessionele levensovertuiging. ontkerstening kan dus ook als symptoom van de verzuiling worden gezien. vraag 18: den uyl's kabinet was bovendien het méést linkse kabinet. 22 en 23: D'66 presenteerde daarom ook een schaduwkabinet. Ook voor districtenstelsel voor duidelijkheid van bovenaf (Westminster-model) en meer inspraak van onderaf. D’66 is echter zo klein dat het daarmee zijn eigen graf zou graven, juist dankzij de evenredige vertegenwoordiging, waarin iedere stem telt, konden zij aan de macht komen. ik zou ook kiezen voor een minder ideologische politiek nu, ook omdat dat bij het themavak politieke cultuur werd gepleit in ons boekje. het zijn nu vooral mediagenieke lui die mediatraining krijgen en worden getoetst op hun charisma. en het was wel degelijk zo dat katholieken 'makkelijk' overstapten naar de pvda, daarom ging de kvp na WO II ook met pvda samenwerken: aanpassen aan je electoraat, nl. veel arbeiders. en ook i.v.m. de verkeerde interpretatie van nolens, volgens mij wilde bosscher zeggen: nolens had het niet over de uiterste noodzaak maar het was uiterst noodzakelijk dat ze met de socialisten gingen samenwerken. 24: de ARP wilde als voogd optreden, ethsiche politiek, opvoeden voor vooruitgang. links liberalen tegen uitbuiting zoals Multatuli en Van Deventer 'Eereschuld'. Vraag 17 Wat is de betekenis geweest van de nacht van Schmelzer? In de nacht van Schmelzer heeft fractievoorzitter Schmelzer van de KVP in de nacht van 13 op 14 oktober 1966 een einde gemaakt aan de laatste rooms-rode coalitie onder leiding van Cals. De directe aanleiding was de dekking van de rijksbegroting, maar al langer leefde bij de KVP onvrede over het meeregeren van de PvdA. De KVP wilde graag de verkiezingen van 1967 in als de partij die de coalitie met de PvdA niet gewild zou hebben. Bovendien had de PvdA-fractie de eigen ministers Den Uyl en Vondeling nogal beperkt in hun ruimte om in het kabinet te kunnen discussiëren over het dekken van de rijksuitgaven in de komende begroting, hetgeen tot felle discussies in de ministerraad leidde. De PvdA-ministers mochten alleen een verhoging van de omzetbelasting accepteren, als een inkomstenbelastingverlaging zou worden uitgesteld. De KVP wilde deze verlaging juist wel. Naast de val van het kabinet-Cals, had de nacht van Schmelzer ook nog als gevolg: - verrechtsing van de politieke koers van de KVP, de oude aard keerde terug - een grote groep PvdA-ers kregen de balen van de KVP. daardoor kon Nieuw-Links veel steun krijgen e - binnen de KVP kregen meer linkse mensen de balen van hun conservatieve leiders, dit leidde tot de oprichting van de PPR (Radicalenstrijd) - een deel van de bevolking wilde participeren in de politiek om dergelijke dingen te voorkomen. Dit leidde tot verkiezingsoverwinning van D66. Vraag 18> Karakteriseer het kabinet Den Uyl: kabinet heeft gezeten van '73 tot '77. Was een sociaal kabinet met voor het eerst in de geschiedenis een meerderheid aan progressieve ministers (=keerpunt '72). Bastond uit PvdA, D'66, KVP, ARP en PPR. Doordat veel ondeerpen sterk ideologisch gebonden zijn, voelt vaak de achterban van de betrokken partijen zich verloochend door dit kabinet. het kabinet had ook geen meerderheid in de Kamer, dus er is sprake van een sterk gepolariseerde politieke situatie. Maar ook de sterke verdeeldheid van Links, vormt een probleem voor Joop. In '73 krijgt het kabinet de oliecrisis voor de kiezen. In '77 valt het kabinet. Dit is waarschijnlijk te wijten aan de te pretentieuze hervormingspolitiek van links. Vraag 19> Breng een globale periodisering aan in de politieke geschiedenis van Nederland na WOII (in termen van politieke samenwerking) en geef commentaar: De politieke samenwerking begint met d eoprichting van de PvdA in 46, die zowel confessionelen als socialisten onder haar leden heeft. In 1948 de Rooms'Rode coalitie o.l.v. Drees, eerste keer dat de socialisten in een kabinet zitten. '54: het mandement, vanaf '69 komen de protestbewgingen op die politieke invloed eisen: oa. Dolle Mina en de kabouterpartij. In 1980 gaan Chu, KVP en ARP samen in het CDA: de ultieme uitkomst van het wegwerken van de verzuiling onder confessionelen. Vraag 20> Wat was 'het mandement' en welke betekenis kan eraan verbonden worden? Het mandement (1954) is het schrijven van Nederlandse bisschoppen, getiteld: De katholiek in het openbare leven van deze tijd. Hierin klampten zijj zich vast aan de rigide opvattingen over verbondenheid met de eigen zuil, sinds WOI. De katholieken moeten hun geloofsgemeenschap niet alleen beschermen, maar ook versterken. Ook werd katholieken lidmaatschap van een linkse partij verboden. De betekenis die we hieraan geven kunnen is de volgende: Enerzijds werkte dit betoog heel doeltreffend, de ledenaantallen van de KVP stegen fors, anderzijds was het de laatste stuiptrekking van de zuil, want steeds meer KVPérs liepen over naar de PvdA, tenslotte zag de KVP zich gedwongen in 1980 te fuseren met de andere confessionelen. Vraag 21> Verklaar de verkiezingsuitslag van 1967: Het klimaat van midden jaren '60 was dat van politiek gesjoemel en achterbaksheid. Van mierlo kwam daarop met een reactie met zijn D'66. De partij wilde het politieke bestel opblazen, door middel van een nieuwe doorbraakgedachte: een progressief en een conservatief blok: grote polarisatie. Sinds 1963 waren er, op basis van één verkiezingsuitslag, drie kabinetten geweest met een verschillend euitwerking. Als reactie hierop stemde het volk D'66 in 1967. Maar het succes van D'66 was ook te danken aan de media-begaafde Hans van Mierlo. Vraag 22 Verklaar het verschijnsel D’66 (bij zijn ontstaan) en het verschijnsel ‘Boerenpartij’. D’66 ?Onder leiding van Hans van Mierlo opgericht. Een markante exponent van het streven naar een participatiedemocratie. Een nieuwe partij, politiek progressief, maar niet uitgesproken antikapitalistisch. Zij had haar zinnen erop gezet het Nederlandse politieke bestel op te blazen. De bron van hun ergernis was de onduidelijkheid en het onderhandse gesjoemel in de politiek. Tussen 1963 en 1967 waren op basis van één verkiezingsuitslag, drie kabinetten geformeerd van steeds wisselende samenstelling waarbij twee van de drie keer de stemmers niet eens werden geraadpleegd. Hans van Mierlo wist de media handig te bespelen. Hij sprak de kiezers aan door zijn uitstraling als frisse en radicale politicus. D’66 propageerde de doorbraakgedachte, maar dan in een modernere pragmatische versie. Het geheel van de bestaande partijen zou in twee blokken moeten uiteenvallen, een progressief en een conservatief blok. Alle levensbeschouwelijke bindingen zouden moeten verdwijnen. Ook wilde ze een rechtstreekse verkiezing van de minister-president. Dus een polarisering van de partijverhoudingen in het parlementaire machtsspel in strategisch opzicht was de centrale doelstelling. D’66 wilde een gematigde linkse partij zijn, niet zo radicaal als bijvoorbeeld de provo’s. Boerenpartij ? De Boerenpartij werd in 1958 opgericht door Hendrik Koekoek uit onvrede over de Nederlandse landbouwpolitiek. De partij keerde zich met name tegen het Landbouwschap, de semi-overheidsinstantie die de landbouw reguleerde. In de jaren zestig werd de Boerenpartij een bredere kleinburgerlijke protestpartij, die ook in de steden aanhang kreeg. De Boerenpartij zette zich af tegen alle gevestigde partijen en stond een conservatief-liberale politiek voor. Koekoek werd door zijn simplistische betoogtrant een bekend politicus. In 1963 haalde de partij drie zetels. Doordat politici tot die tijd altijd serieuze mensen geweest waren vonden de mensen in het land hem wel een verfrissende vrolijke noot in de Tweede Kamer en dit leidde ertoe dat hij veel proteststemmen lokte van mensen die genoeg hadden van de bestaande politieke partijen. Dat leidde tot een winst van vier zetels bij de Tweede Kamer verkiezingen van 1967. Op het toppunt had de Boerenpartij dus zeven zetels in de Tweede Kamer. De geschiedenis van de Boerenpartij werd gekenmerkt door ruzies en incidenten, waarbij Koekoek meestal het middelpunt was. In 1981 verdween met Koekoek de Boerenpartij uit het parlement, nadat de naam nog was gewijzigd in Rechts Volkspartij. Vraag 23 Is de Nederlandse politiek in de twintigste eeuw meer of minder ideologisch geworden? Verklaar. Deze vraag is eigenlijk een vraag die afhankelijk is van je mening. Maar ik denk dat Nederlandse politiek minder ideologisch is geworden in de zin van échte standpunten die men nu inneemt. Politieke partijen gaan nu meer af op de publieke opinie. Dit zie je ook al rond de jaren ’80 bij de PvdA. De PvdA, nam de NAVO altijd scherp onder vuur, bijvoorbeeld omdat de toenmalige rechts- autoritaire dictaturen Griekenland en Portugal in het bondgenootschap zaten. Maar toen de PvdA vanaf 1989 weer deel was gaan uitmaken van de regering, vormde het NAVO-lidmaatschap van Nederland geen enkel punt van discussie meer. Met het bovenstaand wil ik beweren, dat men heel gemakkelijk een standpunt inneemt om kiezers te winnen maar ook heel gemakkelijk dit standpunt weer laten vallen wanneer het hen het beste uitkomt. Politieke partijen moeten zich nu aantrekkelijk maken voor de kiezer om zo stemmen te trekken. Ze kunnen niet meer zoals in de jaren ’50 zonder mening van het publiek een bepaald beleid voeren. In de jaren ’50 hield men meer vast aan één bepaalde ideologie en veranderde deze ook niet. Dus in die zin meer ideologisch dan in de daarop volgende jaren. Aan de andere kant kan je zeggen dat Nederland meer ideologisch geworden is. Rond de jaren ’50 was de politiek een ‘ver van je bed show’ en je stemde trouw op de partij die voor jouw zuil stond. Was je katholiek dan stemde je de KVP ongeacht hun programma. Vaak neigde veel katholieken v\naar het programma van de PvdA, maar bleven tóch trouw op de KVP stemmen. De politieke partijen luisterde minder naar hun kiezers en hielden een vast beleid aan waar ze niet veranderde. Vanaf de jaren ’60 komt hier verandering in en schotelen politici echt programmapunten voor waarin ze duidelijk de kiezers laten zien wat voor de komende vier jaar hun doelstellingen zijn/ ideologie. Toch ben ik van mening dat sinds de jaren ’60 er toch een soort ‘consumeringspolitiek’ heerst Nou: kies maar uit welke mening ;)! Vraag 24 Geef globaal de standpunten weer van de Nederlandse partijen inzake het Indonesische conflict. Na de overdracht van de soevereiniteit aan Indonesië in 1949 had Nederland een voorbehoud gemaakt voor het westelijk deel van het eiland Nieuw-Guinea. Afgesproken werd dat de status ervan binnen een jaar in onderling overleg zou worden geregeld. De Indonesische regering stelde zich op het standpunt dat westelijk Nieuw-Guinea een onderdeel was geweest van Nederlands-Indië en dat het daarom onmiddellijk overgedragen moest worden. Maar de Nederlandse regering wilde dit gebied onder haar hoede houden, zoals het als uitwijkplaats zou kunnen dienen voor de Indo-europeanen. Bovendien wilde zij verhinderen dat de Papoea’s van het eiland gekoloniseerd zouden worden door de Javanen. Indonesië reageerde hierop door harde confrontaties met Nederland: processen tegen Nederlandse ondernemers die in Indonesië verbleven, weigering van het terugbetalen van schulden aan Nederland, Nederlanders moesten terug naar hun moederland en de Indonesiërs versterkte haar krijgsmacht en ze gingen in tot infiltraties van kleine groepen militairen op Nieuw- Guinea, die de Papoea’s tegen het Nederlandse bestuur moesten opstoken. De Indonesische confrontatiepolitiek stijfde de Nederlandse regering in haar volhardendheid. Men wilde het gezag behouden, hierin kreeg hij flinke steun van de bevolking. Nederland versterkte zijn defensie en stuurde het enige vliegdekschip naar de archipel om het eiland te beschermen. Een oorlog zou ophanden zijn. Het buitenlands beleid werd tot ver in de jaren vijftig beheerst door koloniale ressentimenten. Naast ethische motieven speelden nationalistische emoties een grote rol: zowel in politiek kringen als bij het grote publiek was de hele kwestie in de prestigesfeer geraakt. Nederland wilde zich niet verlagen tot de ‘rang van Denemarken’: geen bezit van kolonies. (afloop van de situatie: onder druk van de VS eindigde de crisis in een roemloze aftocht van het Nederlands gezag. Begin 1962 wierp de VS zich op als bemiddelaar:zo kwam er een akkoord tussen Nederland en Indonesië. Vraag 25 Was anti-Amerikanisme altijd ‘links’ of kende het ook een ‘rechtse’ variant? Tot de jaren zestig was Nederland loyaal aan Amerika. In de jaren zestig veranderde dit. De militaire interventie van de VS in Vietnam wekte een enorm verzet. Daardoor voelden de grote politieke partijen zich geroepen enige distantie in acht te nemen tegenover de NAVO. De linkse partijen namen de NAVO sterk onder vuur. De verhoudingen kwamen verder onder druk te staan doordat Nederland een hoofdrol speelde in de campagnes tegen de nucleaire modernisering van het NAVO-arsenaal in Europa. <Corien> Een rechts Europees gericht antwoord op de VS is een rechtse variant. Het rechtse conservatisme verlangt vaderlandsliefde en protectionisme, terwijl het rechtse liberalisme juist onafhankelijkheid verlangt en niet het monopolie van een dergelijke superreus. Ik kan dit niet hard maken, maar dit is wat mij te binnen schiet. ? <Birgit> Ik weet niet zo gauw het antwoord op deze vraag, ik heb gezocht in het boek maar kon niet meer dan het bovenstaande vinden. ‘Gegoogled’, maar dat werkte ook niet. Als ik het weet laat ik het weten en anders misschien iemand anders??!! |
MenuList
specific:
